Ouder dan tweeëndertig is James Dewitt Yancey niet geworden. Toch is hij, onder zijn pseudoniemen Jay Dee en J Dilla, zo'n figuur van wie men zonder clichévrees mag schrijven dat zijn belang moeilijk te overschatten valt. Dilla, geboren in Detroit, zette zijn eerste stappen als beatsmaker onder het mentorschap van Amp Fiddler en Q-Tip (A Tribe Called Quest). Nijver en bescheiden zou hij blijven, zelfs al schoot zijn naam al snel als een komeet door het hiphop- en neosoulfirmament. Zijn werk voor The Pharcyde, De La Soul, Janet Jackson, Erykah Badu, D'Angelo of zijn eigen groep Slum Village liet zich opmerken door subtiliteit én kracht, en een intuïtieve en fantasierijke flair voor muziekpuzzelen die bewondering afdwong van grootmeesters als Pharrell Williams, Timbaland en Kanye West. Drie dagen voor hij stierf - aan de gecombineerde gevolgen van huidtuberculose en een ongeneeslijke bloedziekte - had J Dilla nog Donuts uitgebracht. Een plaat vervolmaakt op zijn ziekbed, met de logistieke (platen en apparatuur laten aanvoeren) en fysieke (zijn handen masseren als ze te fel opzwollen) steun van zijn moeder.
...

Ouder dan tweeëndertig is James Dewitt Yancey niet geworden. Toch is hij, onder zijn pseudoniemen Jay Dee en J Dilla, zo'n figuur van wie men zonder clichévrees mag schrijven dat zijn belang moeilijk te overschatten valt. Dilla, geboren in Detroit, zette zijn eerste stappen als beatsmaker onder het mentorschap van Amp Fiddler en Q-Tip (A Tribe Called Quest). Nijver en bescheiden zou hij blijven, zelfs al schoot zijn naam al snel als een komeet door het hiphop- en neosoulfirmament. Zijn werk voor The Pharcyde, De La Soul, Janet Jackson, Erykah Badu, D'Angelo of zijn eigen groep Slum Village liet zich opmerken door subtiliteit én kracht, en een intuïtieve en fantasierijke flair voor muziekpuzzelen die bewondering afdwong van grootmeesters als Pharrell Williams, Timbaland en Kanye West. Drie dagen voor hij stierf - aan de gecombineerde gevolgen van huidtuberculose en een ongeneeslijke bloedziekte - had J Dilla nog Donuts uitgebracht. Een plaat vervolmaakt op zijn ziekbed, met de logistieke (platen en apparatuur laten aanvoeren) en fysieke (zijn handen masseren als ze te fel opzwollen) steun van zijn moeder. Donuts mag dan als J Dilla's pièce de résistance beschouwd worden, niet iedereen zal in de tweeëndertig snippers instrumentale muziek meteen een coherente suite horen: technisch verbluffend, stuk voor stuk superieure samplespielereien, en gutsend van een opwindende visie, dat wel, maar voor nieuwkomers misschien het equivalent van een rist meesterlijke gitaarsolo's zonder bijbehorende song. Maar! Het ideale glijmiddel om Donuts alsnog in zijn volle glorie te leren appreciëren, heet The Shining: een verzameling nagelaten werk, uitgebracht vijf maanden na Dilla's dood. 'Voor 75 procent afgewerkt', luidde de vergoelijking waarmee jazzdrummer en hiphopproducer Karriem Riggins het resterende kwart afmaakte (toeval of niet, The Shining is ook voor 75 procent een uitstekende plaat). Het grote verschil met Donuts is dat het gros van de nummers zich rond de reguliere drieminutengrens ophoudt, terwijl ze samen net zo goed een uitgelezen staalkaart van Dilla's samplekunst bieden. Daarenboven maakt een plejade aan onverdachte bevriende rappers en zangers haar opwachting: Pharoahe Monch, Common, Erykah Badu, D'Angelo, Madlib, Guilty Simpson, Dwele en Black Thought (The Roots). Goed, Geek Down, met Busta 'ik rap met de subtiliteit van een autotoeter' Rhymes, zeurt eerst nog luid door de kamer, als iets wat je met een opgerolde krant wilt doodmeppen. En in Love Movin' probeert Black Thought van The Roots zich beleefd een weg naar de uitgang te rappen, goed wetende dat de productie punch mist. Maar de rest is puur goud. Somptueuze, overmeesterende (seventies)soul van The Stylistics, The Five Stairsteps, The Isley Brothers, The Dells, daar putte J Dilla graag uit. Laten zich als dusdanig als honing binnenlepelen: So Far to Go (met D'Angelo - wie anders - en Common als vocale sparringpartners in fluwelen handschoenen), en het even jazzy, soulvolle en gedempte Dime Piece (remix). Het glorieuze Love (met Pharoahe Monch) loopt over van joie de vivre. Worden dan weer door een futuristische funkbas of andere spacy scifiklanken op sleeptouw genomen: de laser guided melodies die Body Movin' en Over the Breaks heten. Opvallend nog: het instrumentale tussenwerpsel Love Jones is opgetrokken rond een sample van Placebo, de jazzgroep rond Brusselaar Marc Moulin. Zoveel maakt The Shining wel duidelijk: J Dilla oversteeg het gefröbel van zij die Zen and the Art of Mixing vijftien keer van voor naar achter hebben gelezen. Zijn studiovruchten zijn ritmisch complexe, maar melodisch rijke mozaïeken met een natuurlijke weerklank, die de toehoorder prikkelen zonder dat die weet waarom. In 2011 bewees klassiek violist Miguel Atwood-Ferguson die theorie uitvoerig door een zestigkoppig orkest bijeen te fluiten, en er een concert met symfonische versies van J Dilla's werk mee te vertolken. 'Zijn muziek barst van de subtiliteiten, waarvan de meeste mensen zich niet eens bewust zijn. Maar dat hoeft ook niet', verklaarde Atwood-Ferguson aan The Guardian. 'Dilla probeerde duidelijk te maken dat het leven mooi is, dat we blij mogen zijn dat we het leven, dat we moeten ijveren voor wat het ook is dat ons hart beroert.' Overigens: J Dilla had als kind cello gestudeerd. Of hij het oeuvre van klassieke componisten als Erik Satie, Claude Debussy, Maurice Ravel en Francis Poulenc nu kende of niet, Atwood-Ferguson ontwaart flagrante overeenkomsten met de muziek van J Dilla. 'Liefde, passie, vreugde, fascinatie, verbeelding, lust: daar draaide het werk van die mannen om. En Dilla maakte heel sensuele muziek.' Maar vooral: véél muziek. Het ziet er zelfs naar uit dat J Dilla de tien jaar eerder richting eeuwigheid vertrokken 2Pac zal bijbenen qua postuum op de markt gegooide platen. Op 26 augustus moet de zoveelste bundel onuitgebrachte tracks de winkelrekken bereiken, getiteld The King of Beats, met zo maar even veertig nummers die de buitenwacht nog niet heeft gehoord. Een manier, zegt moederlief, om de vele bootleggers van J Dilla het gras voor de voeten weg te maaien. Of om de nog altijd openstaande, enorme schulden tegenover ziekenhuis en belastingdienst mee af te lossen? Hoe dan ook, afgaand op de hoge kwaliteit van erfeniskwesties als The Shining, Ruff Draft (2007) of Jay Stay Paid (2009) belooft het ding weer hoge ogen te zullen gooien. Ten slotte ook op de planning dit jaar: de release van The Diary, de soloplaat uit het begin van de eeuw die nooit is uitgekomen, waarop J Dilla als rapper te horen valt. Onvermoede, maar niet minder hevige fans als The Horrors, Paul Banks (Interpol) of The xx kwijlen nu al. VOLGENDE WEEK GRAM PARSONS DOOR KURT BLONDEEL