The King **

JAMES MARSH

MET GAEL GARCíA BERNAL, PELL JAMES, WILLIAM HURT, PAUL DANO, LAURA HARRING

De Britse filmmaker James Marsh heeft duidelijk iets met Elvis. Zeven jaar geleden maakte hij al de smakelijke documentaire The Burger and The King: the life and cuisine of Elvis Presley, en nu is er TheKing, 's mans eerste fictiefilm waarin Elvis wordt vertolkt door Gael García Bernal, de angelieke Mexicaan uit Amores Perros, La Mala Educación en The Motorcycle Diaries. Toch willen we u graag even waarschuwen vooraleer u heupwiegend, met knoerten van bakkebaarden en in met rhinestones bezet glitterpak richting bioscoop trekt: The King vertelt het verhaal van een mysterieuze jongen die eervol uit het leger wordt ontslagen, terugkeert naar zijn geboortedorp in Texas en er een diepgelovig gezin op de proef stelt. Juist, niet dié Elvis dus.

Bovendien lijken Marsh en coscenarist Milo Addica - die eerder al meepende aan Monster's Ball en Birth - veeleer op zoek naar het symbolische Land of grace dan naar Graceland. Een concrete vertelling kun je The King immers niet noemen, met zijn dromerige sfeerschepping, spaarzame dialogen, metaforisch bedoelde personages en ongezonde obsessie voor suburbia en haar christelijk-patriarchale zeden. Denk dan ook liever aan iets wat het midden houdt tussen Terrence Malicks Badlands, David Lynch' Blue Velvet en de Charles Laughton-klassieker The Night of the Hunter - dure referenties, we weten het - dan aan een of andere bordkartonnen jukeboxkomedie waarin duchtig met de pelvis wordt geschud.

Zo mooi en hemels als de film er aan de oppervlakte uitziet - met dank aan Eigil Brygyds ijle camerawerk waar de dauwdruppels van af lijken te lopen - zo donker en sardonisch is zijn kern. Wat begint als een zomerse rêverie over een Texaanse pretty boy (Bernal) en een maagdelijke predikantendochter (Pell James) ontaardt algauw tot een bloederige parabel over schuld, vergeving en verlossing. Vooral wanneer de Elvis van dienst er behoorlijk psychopathische trekjes op na blijkt te houden en besluit de christelijke grondbeginselen van zijn aanstaande schoonfamilie - geleid door dominee William Hurt - aan een nihilistische praktijktest te onderwerpen.

Dat Marsh, vooral bekend van de bizarre cultdocumentaire Wisconsin Death Trip, daarmee een film aflevert die in orthodox-christelijke kringen niet op een luid hallelujah zal worden onthaald, mag duidelijk zijn. Maar zelfs ketters als wij hebben er onze bedenkingen bij. Echt meeslepend kun je dit psychodrama door zijn abstracte jasje niet noemen, en ook de allegorie - overrijpe symboliek gebaseerd op de oudtestamentische hits Kain en Abel en de parabel van de verloren zoon - steekt nogal simpeltjes ineen, met slaapdorpjes die Corpus Christi blijken te heten en witte hengsten die over hemels groene weiden galopperen. Een reli-gimmick, kortom, die zelden onder het oppervlak duikt, al maken het hypnotiserende doemsfeertje, de trance-achtige vertolkingen en de dubbelzinnige protagonist - Bernal als duivelse wraakengel - wel wat goed.

Dave Mestdach