In het land der blinden is eenoog koning, maar in het land der televisie is het soms een zegen een klein beetje blind te zijn. Een mens wordt er toegeeflijker door, zachter ook en misschien zelfs wat minder kritisch. Neem nu De Parelvissers. Zonder blijmoedige waas voor de ogen vraag ik me geërgerd af of een productiehuis met de naam Woestijnvis echt geen betere titel kan verzinnen voor zijn nieuwste en zowaar prestigieuze fictiereeks. Maar mét waas zie ik er mits enige moeite wel de humor van in. Of denk ik domweg dat het ene helemaal geen vette knipoog is naar het andere en dat 'De Parelvissers' een puur en rechtmatig eerbetoon is aan de gelijknamige opera van Bizet - zoals dat groepje herenigde vrienden zo mooi verkondigt in hun gerieflijke huisje in de Ardennen.

Spijtig genoeg heb ik de fout gemaakt om twee keer naar De Parelvissers te kijken. Een keer met en een keer zonder waas. Die met waas was de beste. Door zijn vertelstijl, zijn manieren van filmen en zijn acteurs - wat een talenten bij elkaar! - steekt De Parelvissers met kop en schouders uit boven wat de gemiddelde fictie ons dezer dagen voorschotelt. Nu is dat hoogstens een verdienste, en verre van een compliment. Moeten we al blij zijn omdat een reeks eens niet van A naar B sjachert in het spoor van een mopperend sujet als Witse, maar integendeel via allerlei omwegen zeer misschien op z'n doel afstevent? Waarschijnlijk wel. Na een uur Parelvissers verlangde ik in ieder geval naar meer.

Ja, ik wilde weten wat er met Jan De Ridder (Marc Van Eeghem) was gebeurd. Ja, ik wilde weten waarom die Alain Coninx - de stier van de sportredactie - Pieter De Ridder (Ides Meire) opbelt en ja, ik wilde weten wat die Guido (Tom Van Dijck) in de kamer van Anneke (Sara Deroo) te zoeken had. Dus ja, mijn nieuwsgierigheid was gewekt... en daarmee ook mijn angst. Want wat als De Parelvissers de hooggespannen verwachtingen niet inlost? Wat als de verdwijning van Jan De Ridder niet meer is dan een luchtverplaatsing in een fles? Wat als hij als zoveel andere verdwenen echtgenoten gewoon even sigaretten ging kopen en nooit meer terugkwam? Dan zal ik weer een ontgoocheling rijker zijn.

Tot het zo ver is, wil ik het beste hopen. Zelfs voor een zogezegde klootzak als een Jan De Ridder. Want toen ik de tweede keer naar De Parelvissers keek - weg was de waas - kon die arme man ineens op al mijn begrip rekenen. Meer zelfs, als ik Jan De Ridder was en dat stelletje egotrippende en snoevende narcisten noemde zich mijn vrienden, dan was ik op een mooie dag ook hard en ver weggelopen. Ineens besefte ik dat ik buiten Jan De Ridder geen van de personages sympathiek kon noemen. Ze ondernamen wel pogingen om vrolijk en onbezorgd te zijn, maar tjonge, tjonge, wat kon die mensen overkomen zijn dat ze nu zo nijdig en lichtgeraakt waren? Het moesten die honderd miljoen van De Ridder wel zijn, of haalt een leven in de schaduw van de camera's het slechtste in een mens naar boven? En toen kwam het moment waarop ik allerlei mysterieuze dubbele bodems begon te vermoeden en allerlei programma's door elkaar zag. De Mol, Big Brother, ik zeg maar wat. Is het trouwens de bedoeling dat er na iedere aflevering een man of vrouw het huis verlaat? Deze keer zagen we Marc met hangende pootjes vertrekken, uitgewuifd door zijn echtgenote.

'Amaai, da's ingewikkeld', zuchtte een bezorgde kijker op het forum van De Parelvissers. Op zich is dat niet erg. Ingewikkeld kan mooi en goed en fenomenaal zijn, tenzij het ingewikkeld is om ingewikkeld te zijn en nergens toe leidt. Maar ineens begreep ik wat ik miste in het web van leugens, hints, suggesties en onderliggende lagen dat in dat jachthuis in de Ardennen wordt geweven: humor. Geen billenkletsende humor, maar een flinterdun laagje ironie, wat glimlach ontlokkende conversaties, zoiets. Er was natuurlijk de niet genode echtgenoot van Steffi, een verkoper van tweedehandse auto's, maar dat is niet het soort humor dat ik bedoel. Tot nu is De Parelvissers in zijn wrangheid en zijn opeenstapeling van desillusies sterker dan in zijn al te jongensachtig grappige passages. En dat durf ik oprecht spijtig te noemen. Geen ramp. Geen hinderpaal. Zelfs geen fundamentele kritiek. Gewoon spijtig.

Tine Hens