Een mens heeft soms nood aan een goed gesprek. Het wekt de illusie dat alles toch nog een zekere mate van zin heeft. En dat is een geruststellende gewaarwording, zo op een doordemaandse zondagavond. In ons geval betekent het het verschil tussen verkwikkende nachtrust en een slapeloze nacht. Had ik na de vijf minuten durende opgang en ondergang van Stubrutv de televisie uitgezet, dan had het zwarte gat van de existentiële twijfel me wederom verzwolgen en had het beuken van de waarom-vraag in mijn hoofd ieder geteld schaap vermorzeld. Op de sneeuwwitte bank van de omroepster zat een bebaarde man. Patrick Mangelschots, provisoir netmanager van Stubrutv. De volgende dag las ik in de krant dat de volle baard weer helemaal in is. Anders had ik niet begrepen hoe hip die Patrick daar wel zat te wezen. Hij wreef in zijn handen en stelde voor gewoon eens te kijken. Iedereen was zenuwachtig. De spanning was te snijden en de verwachtingen waren op hun beurt dan weer hooggespannen. Leki heette de kijker vanuit kikkerperspectief van harte welkom; vanuit de diepte van een rode zitzak nam Peter Vandeveire het van haar over. Ze hadden het over allerlei flauwe afkooksels van flauwe programma's. We vermoeden dat het satire was. Het was in ieder geval grappig bedoeld. De mensen keken een beetje gemaakt boos. Ze moesten verontwaardiging veinzen. Ik vermoed dat we als kijker moesten lachen. Al weet ik nog altijd niet goed waarom. Een andere krant schreef dat meer dan een miljoen mensen deze frats op tv volgden. De reporter van dienst vermoedde wel dat het merendeel gewoon op Witse zat te wachten en - net als ik - niet goed begreep wat hen met al die hyperkinese overkwam. ''t Zal wel reclame voor iets nuttigs zijn. Boterhammen met kaas of ham van eigen kweek', mompelde een nonkel die in de woonkamer van mijn ouders kwam binnengewaaid. En onverwacht filosofisch voegde hij eraan toe dat vorm en inhoud dezer dagen niet altijd goed te onderscheiden zijn.

Die woorden indachtig zapte ik naar Spraakmakers op Canvas. Enkele dagen voordien was Martine Tanghe in een wolk van enthousiasme in een radiostudio neergedaald en had ze er opgewonden verteld over haar fantastische tijd met Bob Geldof. Hij was zo open geweest, zo bereidwillig, zo zonder kapsones en hij had haar dingen toevertrouwd die ze nog nergens anders gelezen had. Eerlijkheidshalve moet ik hier toegeven dat Tanghe niet ons favoriete nieuwsanker is. Zoals de stem op Canvas Bob Geldof omschreef als de Moeder Teresa van de popmuziek, wordt bij ons thuis in dezelfde woorden, maar minder complimenteus over mevrouw Tanghe gesproken. Mijn moeder noemt haar mémé Tanghe, mijn vader zapt weg naar den Holland als hij haar ziet. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan en dus was ik niet geheel onbevooroordeeld toen ik Martine in zalmroze blazer de deur van Geldofs platenfirma zag openduwen. Maar Tanghe toonde zich een taaie madame. Ze gaf Bob een hand, stelde haar eerste vraag, over zijn vader - zeer gewoon, zonder de trillende stembanden of het smachtend ooggeknipper waarmee ze achter haar nieuwsdesk wel eens dramatische beelden onderstreept - en Bob antwoordde met een onverwachte gretigheid. Hij vertelde over zijn jeugdjaren in Dublin, waar hij als zevenjarige zowat alleen in een groot, koud huis woonde. Een vogel voor de kat, zou je denken, maar wel een met een groot hart. Op zijn dertiende hielp hij drugsverslaafden, daklozen, hoeren en andersoortige zwervers. Later kwamen daar Afrika en de wereld bij. Het was een schoon gesprek. Tanghe toonde zich meesterlijk in dit soort interview, waarbij geen onthullende vragen aan de orde zijn, maar waarbij een mens zich van zijn mooiste en gevoeligste kant mag laten zien. Twee mensen, een tafel en twee stoelen. Het is televisie in al zijn eenvoud, maar o zo krachtig. Geen geknoei met verborgen stemmen of met dwaze quizjes. Het is integer en puur. Nog van dat, graag.

Door Tine Hens