Eerste zin Hoe het te zeggen?
...

Eerste zin Hoe het te zeggen? Het zal wel niet toevallig zijn dat er geen Bad Lunch Awards bestaan, maar wel heel veel Bad Sex Awards. Niet alleen is seks voor de meeste lezers onder ons toch nog net dat ietsje spannender dan een boterham met kaas, het heeft er ook mee te maken dat het schrijven van een goede seksscène te vergelijken is met overeind blijven op een slappe koord waar je partner net een flesje glijmiddel over gemorst heeft. Laat ik meteen maar met met die seksscène beginnen, dacht Frederik Willem Daem wellicht toen hij Tekens van leven op papier zette, dan zijn we daar tenminste al van af. Hij raakte met gemak aan de overkant van die slappe koord: zijn seksscène is spannend, schalks, gevoelig, erudiet en ook wel grappig. Er hangt iets in de lucht, voel je, tot het met een knaller op de grond pletst, want na die scène gaan Andreas en zijn Hertje uit elkaar. En dus doet Andreas wat heel veel andere mannen hem in gelijkaardige omstandigheden hebben voorgedaan. Hij slaat zijn tent op in zijn stamcafé. Hij stuntelt op de pooltafel, ouwehoert met verzekeringsmakelaar Eckhart, luistert naar de andere habitués, die eindeloos kunnen doorgaan over de prijs van de benzine, voetbaltransfers en wiens schuld het is dat de bussen nooit op tijd rijden, en wordt - hoe kan het ook anders? - smoorverliefd op Patricia achter de tapkast. Andreas is met andere woorden zo vaak aanwezig in Café De Kauw (een knipoog naar Jean-Marie Berckmans' Café De Raaf) dat Daem niet anders kon dan zijn debuutroman de ondertitel Een toogverhaal mee te geven. Hoe loopt het af met Andreas, vraagt u zich misschien af, maar daar is het Daem niet echt om te doen. Daarvoor schrijft hij gewoon te goed. Nee, plot moet het in Tekens van leven afleggen tegen sfeer en stijl, tegen het gevoel dat het uiteindelijk allemaal naar de gallemieze gaat, en dat het dan net zo goed vernuftig naar de gallemieze kan gaan. Nog maar zelden lazen we een roman die zo knap in elkaar stak. 'We hangen misschien vast aan de feiten,' merkt Eckhart op een bepaald moment op, 'maar we hebben de fictie nodig om ze draaglijk te maken.' Wat meteen het intelligentste is dat we een verkoper van verzekeringspolissen ooit hebben horen zeggen.