Dom Phillips, Ebury Press, 375 blz., euro15Tijdens de nineties waaide er een hoopvolle, roezige wind aan de andere kant van het Kanaal. In danceclubs over heel Engeland maakte ecstasy iedereen stompzinnig blij en vrij. Als goden aanbeden dj's als Sasha of Jeremy Healy draaiden er niet zomaar acid houseplaatjes, ze strooiden euforie in het rond alsof hun zakken ervan uitpuilden. Daarbuiten groeide de verwachting dat Labour dankzij zijn boegbeeld Tony Blair (die clubhits als ...

Dom Phillips, Ebury Press, 375 blz., euro15Tijdens de nineties waaide er een hoopvolle, roezige wind aan de andere kant van het Kanaal. In danceclubs over heel Engeland maakte ecstasy iedereen stompzinnig blij en vrij. Als goden aanbeden dj's als Sasha of Jeremy Healy draaiden er niet zomaar acid houseplaatjes, ze strooiden euforie in het rond alsof hun zakken ervan uitpuilden. Daarbuiten groeide de verwachting dat Labour dankzij zijn boegbeeld Tony Blair (die clubhits als Things Can Only Get Better en Praise You als campagneliederen gebruikte) het conservatieve juk eindelijk zou afwerpen, wat het in 1997 ook deed. Kortom, iederéén liep er zowat als een Euromillionswinnaar bij. Niet eens een decennium later werd diezelfde Blair als een oorlogsmisdadiger afgebrand, en liep het clubverhaal al niet veel beter af. Dat is tenminste de premisse waarvan voormalig dancejournalist Dom Phillips vertrekt in dit boek over ' glory, excess and burnt out dreams'. Phillips was in die dagen redacteur van Mixmag, een blad dat het bestond proefondervindelijk uit te vissen of een mens nog kan rijden onder invloed van drugs - als u het echt wilt weten: één enkel lijntje cocaïne bleek wonderen te doen voor de concentratie, maar marihuana en xtc waren a big no-no. Het dwaze idee werd natuurlijk ingegeven door het nieuwe fenomeen waarbij clubbers tijdens het weekend van de ene dansvloer naar de andere deejayset reden, en daarbij niet op driehonderd kilometer keken. In feite valt in het hele beeld van het superclubgebeuren dat Phillips hier schildert vooral de collectieve leeghoofdigheid op. Promotors die hun dj's in vuilniszakken vol geld uitbetaalden, afterparty's in presidentiële hotelsuites, een niet nader genoemde dj die een pijpbeurt op zijn rider zette en Fatboy Slim die ooit een lijntje coke van een spoorwegrail opsnoof: de liefhebbers krijgen hier een vrachtlading aan petites histoires uitgekieperd. Dat impliceert helaas ook dat dit boek een nat stuk zeep is voor de geïnteresseerde leek die net grip wil krijgen op de muzikale relevantie en cultuurhistorische betekenis van het superclubtijdperk. Een verhaal met kop en staart weet Phillips, die nochtans goed genoeg beseft hoe acid house van een haast anarchistische beweging in een schoolvoorbeeld van decadent kapitalisme verzandde, niet te schrijven. Zelfs met de uiteindelijke pointe, de zogeheten ineenstorting van de clubscene, valt het reuze mee: top-dj's bestaan nog steeds. Al zie je ze -toegegeven - tegenwoordig iets minder vaak langs de spoorweg strompelen. KURT BLONDEEL