Documentaire 1972
...

Documentaire 1972 Tv-serie (episode 'The Buttercup Killer'), 1974, met Angie Dickinson Tv-serie 1978, met Robert Urich, Tony Curtis Tv-film 1979, met Peter Strauss, Brian Dennehy Speelfilm 1981, Met James Caan, Tuesday Weld Speelfilm 1983, met Gabriel Byrne, Scott Glenn Tv-serie 1984-89, met Don Johnson, Philip Michael Thomas Speelfilm 1986, met William L. Petersen, Tom Noonan Tv-serie 1986-88 (episode 'Top of the World'), met Dennis Farina, Anthony John Denison EXTRA OP WWW.FOCUSKNACK.BE INTERVIEWS MET MICHAEL MANN UIT ONS ARCHIEF Pilot 1989, met Scott Plank, Michael Rooker Mini-serie 1990, met Steven Bauer, Benicio Del Toro Speelfilm 1992, met Daniel Day Lewis, Madeleine Stowe Speelfilm 1995, met Al Pacino, Robert De Niro Speelfilm 1999, met Russell Crowe, Al Pacino Speelfilm 2001, Will Smith, Jon Voight Tv-serie 2002, met Tom Sizemore, David Cubitt Speelfilm 2004, met Tom Cruise, Jamie Foxx Vooraleer hij zich (zoals generatiegenoten Ridley Scott, Alan Parker en Adrian Lyne) liet opmerken in de wereld van commercials en met scenario's voor televisie de kost zou winnen, studeerde Mann aan de London International Film School (in de hoogdagen van de Nouvelle Vague) auteurstheorie en sociale strijd. Insurrection was een vroege reportage over mei '68 die hij voor NBC draaide, Jaunpuri een experimentele korte film, 17 Days Down the Line een middellange documentaire over een Newsweek-reporter die na vijf jaar in het buitenland terugkomt in het VS van na mei '68. Police Story was de eerste show waaraan Mann meeschreef (later volgde Starsky & Hutch), maar zijn eerste tv-regie was voor Police Woman, een politieserie met Dickinson die bij ons werd uitgezonden als Pepper. Manns eerste eigen tv-creatie speelt in het speelhol van de duivel, waarin de verlopen PI (private investigator) Dan Tanna zijn wagen in de woonkamer 'parkeert' en Tony Curtis' naam in de generiek enkel diende als lokvogel (verder was hij nergens te bespeuren). 'Toen ik Vega$ schreef, had ik Kerouac in gedachten', zegt Mann, 'en de tekeningen uit Fear and loathing in Las Vegas.' De intensiteit, kwaliteit en vooral no-nonsense-realiteit die Mann bereikt in zijn eerste langspeler (een televisiefilm) was op het einde van de jaren zeventig al een voorbode van wat komen zou. Strauss is uitstekend als een zwijgzame lifer (levenslang opgeslotene) met een uitzonderlijk atletisch talent. Thief werd bij ons uitgebracht onder de behoorlijk idiote titel Violent Streets, en is destijds ook minachtend opzijgeschoven. Toch is Thief nog geen vonk verouderd. Caan is een eenzame kluizenrover, minutieus, bikkelhard, maar op een vreemde manier ook integer. Mann haalde al zijn connecties uit de onderwereld van Chicago boven, gaf boeven en flikken een rol, en wist het realisme van de milieuschets in de beste noir-traditie te counteren met een virtuoze stijl. Alles glimt, alsof de wereld uit klatergoud bestaat: met neon verlichte, beregende straten, gouden gensters van de laspost die de kluizen klein krijgt, en een einde dat het motto van De Niro in Heat voor het eerst verbeeldt ('Don't let yourself get attached to anything you are not willing to walk out on in thirty seconds flat if you feel the heat around the corner'). De superscore van Tangerine Dream is het enige wat wij ons herinneren van dit absolute curiosum. The Keep is een zwaar op de hand vertelde, barok geschreven, maar visueel adembenemende WOII-fabel over de bron van alle kwaad dat ergens in de Karpaten door nazi's wordt bevrijd. Moeten de 'designer cops' Sonny Crockett en Ricardo 'Rico' Tubbs nog worden geïntroduceerd, twee uit Italiaanse pakken opgetrokken Ferrari-snobs die tegen de drugsgroothandel strijden? Een klassieker van een serie, even experimenteel als schaamteloos commercieel en extravagant, gesitueerd in pastelkleurige of van neon doordrenkte settings waar Miami's mooiste, meest misdadige en meest kapitaalkrachtige wezens huizen. De credit 'A Michael Mann Production' of gewoon zijn naam als executive producer helemaal op het einde van elke aflevering werd een soort waarmerk. Hypnotiserende en qua beeldentaal unieke verfilming van Thomas Harris' Red Dragon. Een sleutelfilm uit de jaren tachtig en nog steeds modern tot in de kern. Hoewel Manns script sterk afwijkt van de roman, fascineert het meesterwerk van het akelige begin tot het wat valse einde dankzij een onvergetelijk portret van de psychopaat (Noonan) en zijn Nemesis, FBI-profiler Will Graham (Petersen). De film lijkt uit zijn voegen te barsten van visuele genialiteit, met als hoogtepunt de finale in schokmontage op de luide dreun van Iron Butterfly's In-A-Gadda-Da-Vida. De beste, meest vernieuwende, maar ook meest miskende misdaadserie van de jaren tachtig. Terwijl Miami Vice de wereld veroverde en het vijf jaar uithield, verdween deze kroniek van de verbeten strijd tussen een jonge, gewetenloze gangster en een FBI-team (eerst in het sombere Chicago, dan in het zonnige Vegas) al na twee seizoenen van het scherm. De pilot werd geregisseerd door niemand minder dan Abel Ferrara. LA Crimewave of Made in LA, zo wordt deze low budget 'voorstudie' van Heat ook wel eens genoemd. Tot een serie is het nooit gekomen, maar de film verraadt Manns ambitie om de uitgesponnen structuur of het 'grote verhaal' dat hij in televisie zocht, zoals in Crime Story, te vertalen naar het grote scherm. Op de soundtrack: Billy Idols cover van The Doors LA Woman. Een soort Traffic avant la lettre, over DEA-agent Enrique 'Kiki' Camarena die een grootscheepse marihuanahandel blootlegde. 1757, prerevolutionair Noord-Amerika. Terwijl Engelsen en Fransen om het noordoostelijke deel van de kaart vechten, houdt een door Mohikanen opgevoede trapper zich afzijdig, tot hij twee dochters van een Engelse kolonel moet escorteren. Michael Manns eerste bewuste filmervaring was die van een film uit 1936, George Seitz' The Last of the Mohicans, met Randolph Scott in de hoofdrol. Het toenmalige script van Philip Dunne spreekt doorheen Manns versie, een adembenemende mix van romantisch avontuur en historisch accurate reconstructie, magnifiek gefotografeerd door Dante Spinotti. Manns magnum opus van misdaad en misdaadbestrijding in LA, opgebouwd rond twee verwante, maar elkaar uitsluitende individuen, is als hybride genrestuk (gangsterfilm, film noir, western) en totale beleving van cinema (auditief, visueel, narratief) ongeëvenaard. Pacino is Vincent Hanna, detective. De Niro is Neil McCauley, meesterdief. Drie geniale actiesequenties geven de film zijn structuur: een bloedstollende overval, een open vuurgevecht op straat, een chase op een verlaten vliegtuigbaan. Daar weeft Mann een indrukwekkende kroniek rond van dagelijkse existentie, in een onwerkelijke sfeer - die soundtrack! - van fatalisme, droefheid en dood. De 'spoken' Hanna en McCauley hebben een vluchtige tête-à-tête (in de realiteit gespiegeld door de allereerste gemeenschappelijke scène tussen De Niro en Pacino), maar ook een afspraak met het noodlot. Sociale of politieke cinema zoals er in Hollywood doorgaans geen wordt gemaakt: zonder het minste sentiment, spannend als een samenzweringsthriller, met een complexe morele agenda. Manns eerste dramatisering van waar gebeurde feiten is geïnspireerd door Marie Brenners Vanity Fair-artikel The Man Who Knew Too Much. Het is het verhaal van Jeffrey Wigand (Russell Crowe), een chemicus in de tabaksindustrie die besluit klokkenluider te worden en daarvoor een befaamde journalist, Lowell Bergman (Pacino) van Sixty Minutes benadert. De film (het visuele vertellen, de mise-en-scène) kan worden bekeken vanuit Wigands perspectief, maar even strak vanuit dat van Bergman. Die zet alles op alles, maar loopt tegen een muur van objectieve medeplichtigheid. De show werd niet uitgezonden: CBS is namelijk een dochteronderneming van gigant Westinghouse. Manns film over Muhammad The Greatest Ali is een knock-out, Hollywood in zijn meest intelligente en bevrijde vorm. Het is een biopic die alles vertelt, maar slechts een snede uit het leven van de vlinderbokser toont. Het is een zinderend panorama van individuele en sociale geschiedenis, als een ereboog voor Ali gespannen tussen 1964 en 1974. Het is het lied van een superatleet die iedereens lieveling werd, maar niemands speelbal wou zijn. En het is de lofzang van een Afro-Amerikaanse held, een arrogant rijmende, charismatische en paradoxale dichter-krijger van het zwarte activisme. Mann produceerde deze al te vroeg afgevoerde, forse reeks over een elitepolitiekorps dat het zware gangstermilieu in LA moet aanpakken. De meest recente crime story van de man die Antonioni en Kubrick in zich verenigt, bewijst dat je geen ingewikkeld verhaal nodig hebt om de meest voldragen cinema te maken. Tom Cruise is in de vorm van zijn leven als huurmoordenaar Vincent, die voor 'the people of Cartagena' een handvol getuigen moet opruimen en het grandioze idee heeft een taxichauffeur (Jamie Foxx) dik te betalen om hem in één nacht doorheen LA te loodsen. De film is niets meer dan de interactie tussen de twee, een ketting van dialogische hoogstandjes, maar vooral een zoveelste demonstratie van Manns kunst: een combinatie van briljant uitgedachte en verbeelde, woeste actie en zijn 'auteuristische' neiging tot abstractie in plot, dialoog en compositie. Dave Mestdach