1. DE LIEFDE VOOR LAWAAI

ACE OF SPADES
...

ACE OF SPADES MOTÖRHEAD - ACE OF SPADES 1980 Ik ben opgegroeid op een steenworp van de NAVO-luchtbasis van Kleine Brogel. Daar vloog de Tiende Wing destijds nog met goeie oude Lockheed F104 Starfighters, ook wel de Flying Brick genoemd vanwege hun veeleer bescheiden zweefkwaliteiten in the unlikely event dat de enige motor uitviel. Wonderlijke toestellen waren dat. Zelfs wanneer ze niet in de lucht hingen. Als die monsters - veruit de mooiste gevechtsvliegtuigen ooit door de mens ontwikkeld - nog maar gewoon op 'on!' gingen, denderde half Noord-Limburg uit bed. Links en rechts vielen kleinere vogelsoorten dood uit de lucht. Zeker bij een bepaalde zomerse thermiek reikte het schreeuwend gejank van hun General Electric J79 turbojetmotoren vanuit Kleine Brogel tot ver voorbij de ouderlijke woning in Overpelt, toch al snel een goeie 12 kilometer. Om maar te zeggen: ik heb wel wat met onversneden lawaai. En zo kon het gebeuren dat ik vele jaren later geweldig kickte op Motörhead in de Gentse Vooruit. Zes april 1991 was dat, en ik werd geacht verslag uit te brengen van de Belgische passage van Lemmy en zijn drinkebroers. Dat concert was het luidste dat ik ooit mocht meemaken. Iets zegt me dat mijn tinnitus (een constant oorsuizen door gehoorbeschadiging; nvdr.) - mijn beste vriend wegens altijd dicht in de buurt - daar en toen in mijn leven kwam. Om u een idee te geven: ik zag het eerste akkoord van de eerste song letterlijk komen aanrollen. Als in een filmische slowmotion van een tsunami surfte het geluid over de honderden hoofden in mijn richting, en in mijn fantasie knikten al die ongewassen metalheads een paar graden achteruit door zo veel energetisch vermogen. Dat was toen Lemmy z'n Rickenbackerbas aansloeg als ware het een gitaar - don't try this at home! - en daarbij een mimiek tentoonspreidde die enig leedvermaak verraadde. Enige nummers ver in de set voelde ik iets onbestemds tegen mijn onderbenen oprijden. Het bleek de fototas van mijn collega te zijn. Voortbewogen door de subsonische trillingen van Motörhead was het tien kilogram wegende ding op de wandel gegaan. En niemand die dat gek vond. Ik heb het altijd geweten: hardrock kan zelfs het meest inerte object tot leven wekken. HELL'S BELLS AC/DC - BACK IN BLACK 1980 Het zal menigeen verbazen, maar hardrock is wel degelijk een klassieke muzieksoort. Niet dat ze hardrock aan het Lemmensinstituut onderrichten - iets wat ze trouwens beter wel zouden doen - of dat men in kringen van Elisabethwedstrijden veel begrip opbrengt voor metal, maar voor de betere luisteraar valt er veel te ontdekken. De AC/DC-klassieker Hell's Bells is daar een mooi voorbeeld van. Traag, dreigend en ogenschijnlijk drijvend op een eenvoudige maar efficiënte gitaarriff, waardoor de argeloze toehoorder al snel zou kunnen denken dat het een song is van dertien in een dozijn. Niets is minder waar. Er is de tekst (die gaat over de bells in de hell, wat je als een kritische visie op religie zou kunnen lezen), maar er is vooral de melodie. Die is goed verstopt, zoals het bij subtiele melodielijnen hoort. Sterker nog; als je Hell's Bells muzikaal ontleedt en van alle elektrische stormen ontdoet, stuit je op een harmonisch ingrediënt dat je nog het best kan omschrijven als kauwgom voor de geest. Of in mu-zikantentermen: het blijft geweldig plakken. Alleen dat al kan je van veel ingenieuze klassieke composities niet beweren - of het moest zijn dat u regelmatig het derde pianoconcerto van Rachmaninov loopt te fluiten. Geloof me, beste ongelovigen: hardrock in z'n puurste vorm bezit een melodisch schema dat tot meeneuriën aanzet. En was muziek daar in eerste instantie niet voor bedoeld? We hebben met het oog op de Zware Metalentour enigszins geworsteld om dergelijke meerwaarde naar boven te spitten. Vooral de akelig polyvalente muzikant Tom Pintens kwam aanzetten met allerlei hippe vondsten en onhippe instrumenten om toch maar extra glans te geven aan iets wat au fond geen extra glans behoeft. Daar zijn we gelukkig mee gestopt, vooral na enkele beschamende repetitiemomenten waarin de Zware Metalenequipe tenenkrullende pogingen ondernam om de originele songs op te pimpen tot avantgardistisch niveau. Kort samengevat: we gingen het te ver zoeken. Tot Gregory Frateur - een soort vocaal getalenteerd kind van de demon - inzag dat de bestaande zanglijnen al ruim voldoende schoonheid bezaten. Het was hij die bijvoorbeeld Run To The Hills van Iron Maiden, Kashmir van Led Zeppelin of Black Hole Sun van Soundgarden (ja, we gaan ver in onze rekbaarheid van wat heavy metal nu precies is) terugbracht tot hun essentie. Namelijk: iets heel schoons. I WAS MADE FOR LOVING YOU KISS - DYNASTY 1979 Er is iets eigenaardigs aan de hand met mode. We vinden de nieuwste modetrends weliswaar aardig om Knack Weekend-gewijs naar te kijken, maar behoeden er ons voor om die mode ook daadwerkelijk te dragen. We vinden het al lang prima als we die jeansbroek van vier seizoenen geleden nog kunnen aantrekken. In schril contrast daarmee staat de stiekeme wens, bij nagenoeg iedereen aanwezig, om ons buitensporig te verkleden. Hoe graag zouden we ons hullen in knalgele spandex en zwart leder, rijkelijk voorzien van glimmende attributen zoals een gouden ketting met een diamanten adelaar. Of word ik nu even té persoonlijk? Nee echt: wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat zelfs de meest geciviliseerde ambtenaar ervan droomt om 's ochtends als hardrocker naar z'n werk te pendelen. Dat zou wijzen op het najagen van een droom. De hardnekkige droom om zich van niemand en niks iets aan te trekken en alle bestaande vestimentaire conventies overboord te gooien, onderwijl luidkeels een refrein van Black Sabbath brullend. De droom om vrij! te zijn. Vandaar allicht dat de moderne mens, ingekapseld in zijn sociale keurslijf, af en toe nood heeft aan een uitlaatklep. Ik verzin het hier ook maar, hoor. Maar toch: ziedaar een structurele bestaansreden van Graspop Dessel of, in een ver en romantisch verleden, hardrockconcerten in zaal Maeke Blyde in Poperinge. Als Hugo Matthysen zich omkleedt tot popkenner en gitaristieke hardrockgod Clement Peerens gebeurt er iets gelijkaardigs. De toch altijd wat chagrijnige Hugo leeft er geweldig van op - en zijn publiek eveneens. Kitsch is dan ook een niet te onderschatten ingrediënt van heavy metal. Of het nu de kapsalonrock van Van Halen betreft, Manowar ( the loudest band on earth: dat hebben ze zelf ooit getest in de Nevadawoestijn), het haarbandje van Axl Rose of de mombakkesen van Slipknot; speel dezelfde muziek gekleed in een shirtje van Fred Perry en het klinkt meteen een stuk onnozeler. Waarom onnozeler? Wel, omdat het dan minder onnozel is. En dus onnozeler. U dacht toch niet dat het toeval is dat de heren van KISS nu al bijna vier decennia lang (!) een blijvende huiduitslag trotseren omdat ze dat graag doen? Nee, ze doen dat omdat hun muziek enkel gedijt onder de enige juiste vermomming. In hun geval is dat een vermomming als zwart-witte poezen, maar dat maakt verder niet uit. Zonder die fond de teint ging het om Gene Simmons, Paul Stanley, Tommy Thayer en Eric Singer. Nu gaat het om KISS. Dat is een wezenlijk verschil. Ook qua bankrekening trouwens. HOW YOU GONNA SEE ME NOW ALICE COOPER - FROM THE INSIDE 1978 Al die voorgaande argumenten pro metal kunnen doen vermoeden dat hardrockers ietwat infantiele wezens zijn die van het hele gamma aan menselijke emoties enkel de luidruchtigste en de stoerste beheersen. Dat is niet zo. Zelfs de meest doorwrochte metalartiesten kennen Gevoelens met een hoofdletter. Liefde. Eenzaamheid. Dorst. Misschien vooral dat laatste, maar goed. Ook zij bezingen hun diepste zielenroerselen in songs die niet per se bol hoeven te staan van het geluid dat zes elektrisch versterkte snaren maken wanneer ze door een versterker van tienduizend watt gejaagd worden - al behoort dat geluid wel tot de mooiste klanken die ooit bedacht werden. Een omstreden voorbeeld van dergelijke fijngevoeligheid is How You Gonna See Me Now van Alice Cooper. Alleen al 's mans voornaam wijst op enige vrouwelijkheid, en een en ander komt nog duidelijker tot uiting in deze stroperige maar heerlijke ballad. Want we moeten daar niet flauw over doen: hardrock en ballads zijn twee handen op één bierbuik. Dat heeft zo z'n redenen: ieder concert - of het nu metal of Milow betreft - is gebaat bij een regelmatige afwisseling in tempi en energieniveaus. En dus staat op iedere playlist een trage na iedere reeks van vier rappe. Ook bij metalbands. En ook bij metalzangers die doorgaans een kip live on stage de strot afbijten. Waarna enkel het concert nog alive is; de kip niet meer. Alice Cooper verhaalt in How You Gonna See Me Now over de pijn en de twijfel die hij ervaart wanneer hij denkt aan z'n geliefde. Hoe zal zij hem nog inschatten nadat hij een tijdje willens nillens uit de maatschappij verwijderd werd ten gevolge van een kortsluiting in zijn geschminkte hoofd? Het zijn zo van die dingen waar je als wereldbefaamd rockartiest met enkele mentale issues mee te maken krijgt. Cooper had hetzelfde thema ook kunnen uitwerken in een schreeuwerig stuk beton, maar dan zou de boodschap minder aangrijpend overkomen. En dus schreef hij een en ander van zich af in een mierzoete ballade. Eentje die miljoenen keren over de toonbank ging en die de gevreesde kippenbijter niet enkel centen opbracht, maar ook een menselijk gelaat. Heerlijk nummer bovendien. THE BOYS ARE BACK IN TOWN THIN LIZZY - JAILBREAK 1976 En tot slot: hardrock is gewoon des jongens. Zelfs als die jongens (zoals ik) doorgaans te betrappen zijn met Radiohead, Neil Young, Nick Cave, The Smiths, Joy Division, Talking Heads of The Cure op de iPod - het betere werk zeg maar - dan nog blijft het fijn genieten van metal. Er schijnen naar verluidt ook vrouwen te bestaan die zich headbangend door het leven begeven, maar dat zijn dan toch meestal West-Vlaamse vrouwen. Hard-rock is voor dudes. Voor kerels van karwats, voor Stijnen van stavast. Het is luid en duidelijk. Het is de enig denkbare therapie voor zij die nooit hun hart zullen luchten aan een zielenknijper. Het is muziek met de vuisten in de lucht, vuisten die synchroon hemelhoog gaan wanneer het refrein in aantocht is. Wat er in dat refrein gezongen wordt, speelt geen rol. 'Thun-der!'. Donder! Bij Thor nog aan toe. Bij deze nodig ik Joke Schauvliege uit om getuige te zijn van zo veel goudeerlijke jongensromantiek. ZWARE METALEN Vanaf 5/1 op tournee door Vlaanderen. Info en speellijst op www.kras.be.DOOR STIJN MEURISSTIJN MEURIS: 'IK HEB HET ALTIJD GEWETEN: HARDROCK KAN ZELFS HET MEEST INERTE OBJECT TOT LEVEN WEKKEN.' STIJN MEURIS: 'OOK DOORWROCHTE METALARTIESTEN KENNEN GEVOELENS MET EEN HOOFDLETTER. LIEFDE. EENZAAMHEID. DORST.'