RATTAWUT LAPCHAROENSAP
...

RATTAWUT LAPCHAROENSAPVassalucci, 208 blz., a 14 De 26-jarige Lapcharoensap mag dan wel in Amerika geboren zijn en er nu een veilig bestaan leiden in de schoot van de universiteit van East Anglia, hij bracht het grootste deel van zijn nog piepjonge leven door in Thailand, meer bepaald in de heksenketel van Bangkok. Als er al een 'boodschap' zit in zijn opmerkelijke bundel van lekker leesbare, afwisselend sardonische en melancholische verhalen (het laatste verhaal Kemphanen is meer een novelle), dan heeft die te maken met de clash tussen het Oosten en het Westen, waarbij het hopeloos kortzichtige exotisme en het volledig achterhaalde 'koloniale' perspectief van het merendeel der westerlingen op een scherpzinnige manier worden onderuitgehaald. Lapcharoensap begrijpt maar moeilijk hoe een survivaljungle als Bangkok hier in het Westen als een 'paradijs' beschouwd kan worden. Beter: hij laat indirect, nooit met opgestoken vinger zien hoe een generatie van Thai aankijkt tegen de jaarlijkse invasie van door Amerikaans cultuurimperialisme betoverde vreemdelingen. Farangs, het eerste verhaal, zet meteen de toon. De ik-verteller laat zijn moeder een soort taxonomie maken van farangs (Thais slang voor ' foreigners'), die van juni tot september neerstrijken op de Aziatische eilandengroepen. Het besluit is raak: 'In september zijn ze allemaal weer verdwenen en laten ze het eiland over aan de Australiërs en de Chinezen, zo alomtegenwoordig dat het geen zin heeft er verder over uit te weiden. Mijn moeder zegt: "Poesjes en olifanten. Meer willen die mensen niet.'' Anderzijds beseft de schrijver perfect dat het Westen voor velen van zijn generatie een voortdurende bron van verlangen is geworden, zelfs al uit zich dat in het noemen van een varken naar Clint Eastwood, zoals in Farangs. De schrijver switcht met gemak van 'particuliere' observaties - het 'sightseeing' in omgekeerde zin - naar 'universele' introspectie, waarin vooral diepgaande intermenselijke verhoudingen het overwicht hebben. De toon is hard en soms kiest Lapcharoensap bewust voor de shock, maar toch klinkt het nooit vals en heeft het altijd wel iets moois. (Het tweede verhaal, Café Lovely, begint bijvoorbeeld met: 'Zo nu en dan droom ik dat mijn broers gezicht in brand staat...') Steeds spreekt uit de verhalen een verscheurdheid, een gevoel van gemis of onherroepelijk verlies. De term 'paradijs' mag dan wel door westerlingen zijn uitgevonden voor Thailand en voor de inwoners van Bangkok een absurditeit zijn, uit Lapcharoensaps debuut lijkt het alsof de Thai wel degelijk een paradijs verloren hebben. Hans Comijn Hans Comijn