Sean Connery heeft over James Bond zelden iets goeds kunnen zeggen, en in zijn nieuwe memoires ‘Being a Scot’ zegt hij er zelfs helemaal niets over.

‘Als zijn brein vlam zou vatten, dan zou ik nog niet in zijn oor pissen om het te doven’, zei Sean Connery ooit in een interview. De persoon die in geval van brand op weinig hulp moest rekenen, was Albert R. Broccoli, de man die de Bondfranchise had opgestart en tot aan zijn dood in 1996 de films produceerde.

Nochtans had Broccoli de doorbraak van Connery geforceerd. Toen men begin jaren 60 naar een hoofdrolspeler voor Dr. No op zoek was, duwde Broccoli de onbekende Connery erdoor, tegen de wil van schrijver Ian Fleming, die hem ’te weinig verfijnd vond’. Voor de Schotse acteur was Bond echter een vergiftigd geschenk, zeker toen na Goldfinger (1964) de spion echt een wereldwijde hype werd. Connery voelde zich hoe langer hoe meer gevangen in het personage, en noemde Bond ooit ‘een monster’ dat hij wilde vermoorden.

Connery had niet alleen problemen met Bond zelf, maar ook met de producers. Naarmate de franchise meer geld opbracht, wilde de acteur zijn deel van de koek opeisen en coproducent worden, maar dat mocht niet. En dat terwijl diezelfde producers zijn pogingen om zich te ontplooien als acteur saboteerden. ‘Al tijdens mijn Bondperiode kreeg ik aanbiedingen voor andere films’, vertelde hij begin jaren 80 in een interview met Knack. ‘Probleem was dat de opnames voor de Bondfilms altijd langer duurden dan voorzien, waardoor ik nauwelijks de kans kreeg om iets anders te doen. Achteraf geloof ik dat de producenten mij op die manier wilden beperken.’

Na You Only Live Twice – waarvan de opnames twaalf maanden in beslag namen in plaats van zes – keerde Connery Bond de rug toe. Toen George Lazenby het al na één film voor bekeken hield, hees Broccoli Connery echter terug aan boord, in ruil voor een salaris van 1,25 miljoen dollar (toen het hoogste loon ooit), een percentage van de winst, plus een schadevergoeding van 10.000 dollar per extra opnamedag. ‘Eigenlijk ben ik omgekocht’, zei Connery toen Diamonds AreForever in 1971 uitkwam.

Kort daarna sloeg hij de deur helemaal dicht. Nog één keer kroop Connery in de huid van de spion, voor Never Say Never Again, een niet-officiële Bondfilm uit 1983, die er pas kwam na een hele resem rechtszaken tussen scenarist Kevin McClory (die het verhaal samen met Ian Fleming had bedacht) en een woedende Broccoli. Die laatste verklaarde: ‘Helaas zijn sommigen vergeten dat ze hun succes aan onze films te danken hebben.’

Stof genoeg voor sappige memoires, maar wie Connery’s nieuwste boek Being A Scot in huis haalt, komt bedrogen uit. Het enige wat de acteur over Bond kwijt wil, is dat hij golf leerde spelen tijdens de opnames van Gold-finger (waarin de spion schurk Gert Frobe moest verslaan in een partijtje) en dat hij zijn loon voor Diamonds Are Forever doneerde aan het Scottisch International Education Trust, dat minder bedeelde Schotse jongeren in hun opleiding moet helpen.

Ook over de rest van zijn filmcarrière vertelt Connery trouwens nauwelijks iets, want Being A Scot is niet zozeer een autobiografie als wel ‘een levendig en persoonlijk portret van Schotland en zijn verwezenlijkingen’. De verkoopcijfers bewijzen echter dat de wereld niet op een boek over het Schotlandgevoel van Connery zit te wachten. Being a Scot kwam eind augustus uit in Groot-Brittannië en in de eerste maand gingen er 5000 exemplaren over de toonbank. Ter vergelijking: My Life, My Way, de autobiografie van Cliff Richard die op hetzelfde moment verscheen, verkoopt drie keer zoveel per week. Wellicht had Connery de Schotse zaak een grotere dienst kunnen doen als hij gewoon zijn echte memoires had neergepend en de opbrengst aan de staatskas had doorgestort.

Sean Connery, Being A Scot

Weidenfeld & Nicolson, 312 blz.

(S.W.)

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content