'Na literatuur en eros is voetbal een van de grootste geneugten van het leven.' DE UNIVERSELE MENS

Veertig jaar nadat hij in dubieuze omstandigheden om het leven kwam - was het een uit de hand gelopen scharrel of een politiek complot? - is Pier Paolo Pasolini vooral nog bekend als filmmaker, maar eigenlijk was hij een allround intellectueel en kunstenaar. In eigen land had hij al een indrukwekkende reputatie opgebouwd voordat hij voor het eerst achter een camera kroop. Hij maakte in 1961 zijn filmdebuut met Accattone, een grimmig drama gebaseerd op zijn eigen roman Ragazzi di vita (1956), over een pooier uit de Romeinse achterbuurten wiens prostituee wordt gearresteerd. Hij had op dat moment overigens al verschillende dichtbundels, romans en ettelijke essays gepubliceerd. In plaats van een geboren regisseur was hij iemand die alle denkbare middelen van zelfexpressie aangreep.
...

Veertig jaar nadat hij in dubieuze omstandigheden om het leven kwam - was het een uit de hand gelopen scharrel of een politiek complot? - is Pier Paolo Pasolini vooral nog bekend als filmmaker, maar eigenlijk was hij een allround intellectueel en kunstenaar. In eigen land had hij al een indrukwekkende reputatie opgebouwd voordat hij voor het eerst achter een camera kroop. Hij maakte in 1961 zijn filmdebuut met Accattone, een grimmig drama gebaseerd op zijn eigen roman Ragazzi di vita (1956), over een pooier uit de Romeinse achterbuurten wiens prostituee wordt gearresteerd. Hij had op dat moment overigens al verschillende dichtbundels, romans en ettelijke essays gepubliceerd. In plaats van een geboren regisseur was hij iemand die alle denkbare middelen van zelfexpressie aangreep. Ook tijdens de laatste vijftien jaar van zijn leven, toen hij zich in ijltempo opwerkte tot een van de beroemdste en beruchtste Italiaanse filmmakers, bleef hij dichten, schrijven, theaterstukken produceren, kritieken publiceren en zelfs schilderen. Maar PPP was ook het slag turbo-intellectueel dat je vandaag nog zelden in het filmwereldje vindt: hij bleef een provinciejongen van het volk én een volbloed Italiaan die dol was op la mamma, pasta en voetbal. Pasolini, zoon van een beroepsmilitair die tijdens de oorlog collaboreerde met de fascisten en een onderwijzeres uit een adellijk boerengeslacht, beschouwde zichzelf zijn hele leven lang als een buitenstaander met een gezonde dosis achterdocht tegenover alle machtsstructuren. Dat heeft veel te maken met zijn jeugd, waarin hij als army brat vaak moest verhuizen, zijn hardvochtige vader die hij weinig zag en vooral: met zijn pijnlijke outing als homoseksueel in 1949, toen hij in het onderwijs werkte. Hij werd betrapt met een van zijn leerlingen en - voor er schuld bewezen was - prompt ontslagen. Ook bij de communistische partij, waar hij dienstdeed als secretaris, was hij niet langer welkom en Pasolini trok dan maar samen met zijn moeder vanuit zijn geliefde Friuli naar Rome. Daar had hij verschillende jobs - hij verkocht boeken langs de Tiber, was klusjesman in de Cinecittà-studio's en werkte mee aan scripts van Federico Fellini en Franco Rossi - voordat hij van zijn pen kon leven. Het idee dat hij ongewenst was in de samenleving sijpelt ook door in veel van zijn films: zwakke individuen worden telkens opnieuw vertrappeld door de machthebbers, of dat nu Jezus is die gekruisigd wordt door de Romeinen in Il vangelo secondo Matteo (1964) of een groepje jongeren dat gemarteld wordt door fascisten in Salò o le 120 giornate di Sodoma (1975). Pasolini zag het leven als een constante strijd tussen de machtigen en de machtelozen, de bourgeoisie en het gepeupel. Daar was hij trouwens heel consequent in. Na de protesten van mei 1968 was hij een van de weinige linkse denkers die zich kritisch uitsprak over de studenten, die hij beschouwde als verwende rijkeluiskindjes die vooral hun ouders wilden pesten. De kinderen van het proletariaat zaten ondertussen bij de politiemacht die de protesten moest platleggen. Naar eigen zeggen was Pasolini diep gelovig tot zijn vijftiende: 'Ik kon zulke diepgaande religieuze gevoelens in mezelf oproepen dat ik mezelf ervan kon overtuigen dat ik de Heilige Moeder had zien bewegen of glimlachen', beweerde hij. 'Maar sinds mijn vijftiende kan ik het me zelfs niet meer voorstellen te geloven in God.' Toch bleef het katholieke geloof waarin hij was opgevoed een sterke aantrekkingskracht op hem uitoefenen, al was het maar als maatschappelijk fenomeen waar hij, als marxist, kunstenaar en intellectueel, veel over te vertellen had. In 1963 regisseerde hij La ricotta, een deel van de portemanteaufilm Ro.Go.Pa.G. De titel komt van de namen van de vier regisseurs: Roberto Rossellini, Jean-Luc Godard, Pasolini en Ugo Gregoretti.Het hoofdpersonage van Pasolini's segment was een beroepsfigurant in een Jezusfilm (met Orson Welles als PPP's alter ego!) die sterft aan een indigestie terwijl hij aan het kruis hangt. De kortfilm - een schelmensatire op de hypocrisie van de kerk - werd gezien als heiligschennis en Pasolini werd zelfs vervolgd én veroordeeld wegens blasfemie, al werd zijn straf - vier maanden cel en een boete - kwijtgescholden in beroep. Een jaar later snoerde hij zijn tegenstanders echter de mond toen hij Il vangelo secondo Matteo (1964) maakte, zijn eigen Jezusfilm, waarin hij een neorealistische stijl hanteerde (niet-professionele acteurs, een ruwe, semidocumentaire camerastijl). Pasolini vatte Jezus als een soort vakbondsleider avant la lettre die het opnam voor het onderdrukte proletariaat - de vissers. Maar of ze de subtekst nu begrepen of niet, de kerkleiders waren dol op de film. Wie het filmwerk van Pasolini leert kennen, zou wel eens verrast kunnen zijn door het schijnbare technisch amateurisme ervan: Pasolini overschrijdt regelmatig de as van 180 graden waarop alle filmactie zich normaal gezien moet afspelen. Hij last zooms in waarbij de focus soms verloren gaat, de camerabewegingen zijn niet altijd even soepel en hier en daar zijn de personages zelfs niet gekadreerd zoals het hoort. Aanvankelijk kun je dat soort fouten toeschrijven aan Pasolini's gebrek aan ervaring - hij was tenslotte een autodidact - maar je blijft ze terugvinden, ook later in zijn carrière, wanneer hij al lang beter had moeten weten. Zijn visuele stijl werd wel degelijk mooier en esthetischer naarmate de jaren vorderden - kijk maar naar het kleurengebruik en de belichting van bijvoorbeeld The Canterbury Tales (1972), maar hij bleef er wel bewust imperfecties in steken, omdat die de kijker een onbehaaglijk gevoel gaven en hem opzettelijk uit de film haalden. Je was jezelf er altijd van bewust dat je naar een film aan het kijken was, en het moedwillige amateurisme van zijn stijl had daar zeer veel mee te maken. 'Ik geloof niet in een teleologie van de cinema', zei Pasolini daarover. 'Ik geloof niet dat cinema 'beter' wordt of zichzelf ontwikkelt. Een stijl is gewoon een constante aanpassing aan de omstandigheden. Het enige wat ik in cinema ontdekt heb, is dat ik plezier schep in het ontdekken van cinema.' Pasolini, die in al zijn werk het mystieke en heilige in het banale en dagdagelijkse zocht, begon films te maken in de vroege jaren zestig, toen de hoogdagen van het Italiaanse neorealisme al een poosje voorbij waren. Luchino Visconti begon aan zijn gepolijste melodrama's over de verdoemde aristocratie, Federico Fellini aan zijn decadente extravaganza's en ook Pasolini zelf nam al snel afscheid van de naturalistische stijl van zijn eerste langspelers Accattone (1961), Mamma Roma (1962) en Il vangelo secondo Matteo (1964). In de aardse antieke tragedie Medea (1969) castte hij operadiva Maria Callas als de bekende Griekse antiheldin. Il Decameron (1971), The Canterbury Tales (1972) en Il fiore delle mille e una notte (1974) - samen de zogeheten 'Trilogie van het leven' - waren dan weer komisch getinte erotische bewerkingen van literaire klassiekers. Het fabelachtige en erotische namen een steeds prominentere plaats in zijn latere werk in, en namen een extreem duistere wending in zijn filmtestament, de hoogst controversiële, lange tijd in meerdere landen verboden mokerslag Salò o le 120 giornate di Sodoma (1975), een losjes op Marquis de Sade gebaseerde afrekening met Italiës fascistische oorlogsverleden en de perversie van de macht die volgestouwd was met seksuele vernederingen en martelingen. Drie maanden voor de release van Salò - in de nacht van 1 op 2 november 1975 om precies te zijn - werd Pasolini dood teruggevonden op het strand van het kuststadje Ostia, zijn lijk deels verbrand, zijn teelballen met een koevoet bewerkt en zijn botten gebroken nadat hij meermaals met zijn eigen auto was overreden. De toen 17-jarige prostitué Giuseppe Pelosi bekende de gruwelijke feiten in zijn eentje te hebben gepleegd en kreeg daarvoor 9,5 jaar cel, maar trok zijn bekentenis in 2005 in. Pelosi, die naar eigen zeggen had bekend onder druk van zijn familie en stukken tengerder was dan Pasolini (Pelosi's bijnaam was Pino la rana of Pino de kikker), claimde dat drie gemaskerde mannen de moord voor hun rekening hadden genomen en tijdens de slachtpartij meermaals 'smerige communist' hadden geroepen. Hoewel het politieonderzoek na Pelosi's verklaring werd heropend om daarna door het gerecht opnieuw te worden geklasseerd, blijven er tot vandaag allerlei theorieën over PPP's moord de ronde doen. Was het een homofobe afrekening? Was het een politiek complot? Of werd Pasolini het slachtoffer van een afperser die enkele filmspoelen van Salò had gestolen, zoals nieuw opgedoken bewijsmateriaal in 2005 leek te suggereren? Veertig jaar na dato blijft het een mysterie, iets wat een aardse mysticus als Pasolini postuum ongetwijfeld een glimlach had ontlokt. Salve, Paolo. PIER PAOLO PASOLINI Tot 27/2 op vrijdag en zondag in Cinema Zuid. Alle info: cinemazuid.be DOOR DENNIS VAN DESSEL