Mark Harris, The Penguin Press, 490 blz.

In 1968 bevond Hollywood zich op een scharniermoment, dat gesymboliseerd wordt in de vijf prenten die toen meedongen naar de Oscar voor beste film. Die these verdedigt voormalig Entertainment Weekly-journalist Mark Harris in zijn eerste boek. De diversiteit van de genomineerde films, stelt hij, kondigde het einde van het oude Hollywood met zijn peperdure prestigeprojecten aan en luidde de geboorte van het Nieuwe Hollywood en zijn ongeziene durf in. Enerzijds had je de antiautoritaire middelvinger van Bonnie and Clyde en het ironische gegiechel van The Graduate, anderzijds was er het conservatieve 'father knows best'-gepreek van Guess Who's Coming to Dinner en het politiek correcte gepalaver van In the Heat of the Night. Ironisch genoeg leek de meest typische Tinseltownproductie, de musical Doctor Dolittle, op een relikwie in vergelijking met de andere kanshebbers.

Harris dissecteert de (pre)productiegeschiedenissen van de vijf films en legt zo de eerste grondverschuivingen binnen het studiosysteem bloot. Zo viel iedereen achterover toen beloftevol acteur Warren Beatty bekendmaakte dat hij Arthur Penns gangsterklassieker zou producen. En ook de casting van Dustin Hoffman - niet meteen moeders mooiste - als dochter- en moederversierder in Mike Nichols' driehoeksverhoudingsfarce bleef allesbehalve onbesproken. Nog opmerkelijker: The Graduate, de meest winstgevende van de vijf genomineerde films, was door elke grote studio geweigerd en diende met onafhankelijke middelen geproduceerd, terwijl het prijzige Doctor Dolittle een flop van jewelste werd.

Vaak verdrinkt Harris in zijn eigen woordenwaterval - het boek had makkelijk 100 pagina's korter gekund - en de quasi-academische aanpak botst met enkele roddelachtige terzijdes. Maar het blijft genieten van de details aangaande legendarische gebeurtenissen, zoals het feestje in het strandhuis van Jane Fonda. Terwijl haar trippende broer Peter stond te swingen op de muziek van The Byrds, vroeg vader Henry of die teringherrie niet wat stiller kon. 'The sound of the revolution' was duidelijk niet aan hem besteed.

Steven Tuffin