Met Gene Evans, Robert Hutton, Steve Brodie en James Edwards
...

Met Gene Evans, Robert Hutton, Steve Brodie en James Edwards Met Richard Widmark, Jean Peters, Thelma Ritter en Murvuyn Viye Met Barbara Stanwyck, Barry Sullivan, Dean Jagger en Gene Barry Met Peter Breck, Constance Towers, Gene Evans en James Best Met Constance Towers, Anthony Eisley, Michael Dante en Virginia Grey Met Lee Marvin, Mark Hamill, Robert Carradine en Bobby diSicco Met Kristy McNichol, Christa Lang, Vernon Weddle en Jameson Parker 'SAM FULLER retrospectieve'vanaf 3/8 t.e.m. 31/8 in het Filmmuseum Brussel (Info: www.filmarchief.be, tel. Muhka-Media Antwerpen (Info: www.muhka.be/film, tel. 03 242 93 57) 'pickup on south street'dvd Vanaf 31 augustus uit bij Lumière Classics 'THE BIG RED ONE: THE RECONSTRUCTION'DVD (2-Disc Special Edition) uit bij Warner 27/7 in Ecran Total, Arenberg û Brussel, 25/8 Sphinx (Gent), 1/9 Muhka-Cinema (Antwerpen), 21/9 Lumière (Brugge), 28/9 Limelight (Kortrijk), 9/11 CinemaZed (Leuven) EXTRA OP WWW.FOCUSKNACK.BE EEN INTERVIEW MET SAM FULLER UIT 1980. 'Film is als een slagveld. Liefde, haat, actie, geweld, dood. In één woord: emotie', zo snauwde Samuel Fuller (1912-1997) ooit in Pierrot le Fou, waarin zijn bewonderaar Jean-Luc Godard hem in een bijrolletje opvoerde als 'le cineaste américain'. Een betere samenvatting van Fullers oeuvre - 22 langspelers, 8 tv-films, 51 scenario's én enkele romans en novelles - hadden we niet kunnen bedenken. In zijn vitalistische stijl, getekend door extreme close-ups, een beukende montage en gedurfde plansequenties, schetst Fuller het leven en dat van zijn schimmige personages immers steevast als een strijdtoneel. Of het nu gaat om de schlemielige verrader uit zijn debuut I Shot Jesse James (1948), om de misdaadsyndicaten uit Underworld USA (1961) of om de GI's uit het anti-oorlogsepos The Big Red One (1980). Naar de genesis van Fullers fundamenteel pessimistische maar nooit nihilistische wereldvisie is het niet ver zoeken. Toen hij in 1948 voor het eerst in een regiestoel klauterde, had hij al twee carrières achter de rug die hem zijn leven lang zouden blijven inspireren: één als piepjong misdaadreporter voor The New York Journal (Fuller was amper 17 toen hij door Amerika van rechtbank naar rechtbank trok) en één als Amerikaans infanterie-soldaat tijdens de Tweede Wereldoorlog. Aan die eerste baan hield Fuller, die omwille van zijn compromisloze stijl steeds in de marge van Hollywood zou blijven werken, een voorliefde over voor pulp fiction, noir-detectives en gore details. Zijn films bulken van de vlammende dialogen die in een rauwe tabloidstijl de emoties van de personages - niet toevallig meestal soldaten, psychoten of criminelen - onverbloemd weergeven. Zijn soldatencarrière bracht Fuller dan weer een allesverslindende obsessie voor geweld bij, in een bizarre mix van afschuw en adoratie. En dat in de meest diverse manifestaties: oorlogsgeweld ( Steel Helmet, Fixed Bayonets, Verboten!), geweld van de onderwereld ( Pickup on South Street, House of Bamboo), geweld uit de pionierstijd ( Run of the Arrow, Forty Guns) of psychisch geweld ( Shock Corridor, The Naked Kiss). Niet iedereen en al zeker niet het grote publiek lustte pap van deze hardboiled dichter van de B-Film. Hij werd afwisselend bestempeld als fascist, anarchist, dolgedraaide patriot en provocerende nestbevuiler. Toch bleven, te midden van de contradicties, bepaalde karakteristieken overeind: een onblusbare levenslust, een hondsbrutale eerlijkheid, een lyrisch picturalisme en een amoreel humanisme - amorfe typeringen die hem uiteindelijk het etiket van 'Amerikaans Primitief' opleverden. Of met de woorden van criticus Christian Viviani: 'By pushing the ridiculous just a little too far, he attains poetry.' Fullers carrière omspande vier decennia, en kende hoge pieken en diepe dalen - zie onder andere de knudde camp-thriller Shark!, met de jonge Burt Reynolds. Hij wist ondanks zijn marginale status aan de vergetelheid te ontkomen en wordt tegenwoordig in het filmpantheon bijgezet als een indertijd misbegrepen en helderziende rebel. Dat heeft hij in grote mate te danken aan de talloze filmauteurs die in hem een onuitputbare inspiratiebron vonden. Niet van de minsten, trouwens. Godard bood hem in 1965 al de cameo aan in Pierrot Le Fou, terwijl later ook Claude Chabrol, Wim Wenders (Fuller is te zien in 4 van zijn films), Aki en Mika Kaurismaki, Peter Bogdanovich, Martin Scorsese, Jim Jarmusch en Quentin Tarantino geen kans onbenut lieten om Fullers loftrompet te blazen. Scorsese's bekendste Fuller-quote: 'Als je niet van de films van Sam Fuller houdt, dan hou je gewoon niet van cinema.' Van die beate bewondering heeft Fuller helaas weinig profijt gehad. Toen hij in 1997 overleed leverde dat aanvankelijk niet meer dan enkele bescheiden artikels in kranten en filmbladen op, vaak onder de pejoratieve kop 'American Primitive dies'. Nog een geluk dat Fuller als geen ander wist wat overleven was, als tabloid-journalist, frontsoldaat, outsider- regisseur, als mens én als mythe.'Laat je emoties niet de bovenhand krijgen. Een dode is gewoon een lijk', aldus Sergeant Zach (Gene Evans) in The Steel Helmet, de eerste van tien oorlogsfilms die de WO II-veteraan in zijn staccato-stijl op het doek brandde. Gezwollen heroïek of patriottische propaganda waren tot dan toe obligate ingrediënten van elke oorlogsfilm, maar die vallen in dit grimmige drama over de Koreaanse oorlog niet te bespeuren. Fullers protagonisten zijn bepaald geen gladgeföhnde G.I. 's, maar opportunistische ruigepoten die uit noodzaak gezond egoïsme aan instinctieve intelligentie koppelen, kwestie van ongeschonden uit het gewelddadige absurdisme te komen. Hét sarcastische hoogtepunt van deze anti-oorlogsprent, die voor amper 130.000 dollar werd ingeblikt, is de scène waarin het bataljon van sergeant Zach - een pantser-personage wiens curriculum en ethos nogal wat gelijkenissen met dat van Fuller vertonen - een boeddhistische tempel betrekt. Níet om er de menselijke conditie te contempleren, wél om vanuit dit oersymbool van peis en vree de vijandelijke linies in de gaten te houden. De misantropische teneur, de bitsige actiescènes en de naturalistische dialogen lieten vooral op de jonge Martin Scorsese een grote indruk na. 'Dit was een oorlogsfilm zoals we die nooit eerder hadden gezien: hard, ruw en eerlijk', aldus de latere Fuller-propagandist. Geen wonder dat een hommage zou volgen, in Raging Bull met name, waarin één van de boksscènes naar een actiesequens uit The Steel Helmet werd gemodelleerd. Donkerder dan een onverlicht riool, bijtender dan een in het nauw gedreven serpent: Pickup on South Street is een van Fullers weinige studiofilms (20th Century Fox viste hem eventjes op uit het B-circuit), maar van toegiften aan de mainstream is gelukkig geen sprake. In zijn broeierige sfeer van morele claustrofobie en grootstedelijke vervreemding blijft Pickup een essentiële film noir, bevolkt door jattende antihelden, manipulatieve flikken en corrupte femmes fatales. Skip McCoy (Richard Widmark) is een cynische zakkenroller die in de metro de portefeuille van de bevallige Candy (Jean Peters) weet te stelen. Skip heeft er echter geen flauw benul van dat het tasje een microfilm bevat met militaire informatie voor de Sovjets. Tegen wil en dank komt de gelooide tweederangsdief in een spionage-intrige terecht, al doet dat niet meteen vaderlandslievende gedachtes in hem opborrelen. Integendeel: Skip, die onder een havenbrug bij de Hudson-rivier en dus letterlijk ondergronds woont, ziet eindelijk zijn kans schoon om een grote slag te slaan. De Koude Oorlog laat hem met andere woorden ijskoud - 'don't you wave the flag at me!' - en van Fuller kan hetzelfde worden beweerd. De politieke intrige is hier namelijk volkomen bijkomstig, ook al werd Pickup ten tijde van zijn release simpelweg afgedaan als een staaltje anti-communistische propaganda. Wat écht telt, zijn de ongekunstelde emoties en de instinctieve survival-gedachtes, gevat in obsessieve close-ups en koortsige dialogen. Eens te meer weigert Fuller een moreel oordeel over zijn personages te vellen, zelfs al zijn het louche types, en dat geeft deze fabuleuze film noir een ongebruikelijke diepgang en een verontrustende urgentie. En dan hebben we het nog niet eens gehad over het contrastrijke schaduwenspel en de zinderende montage. Vooral de openingsscène - geen Fuller-film zonder uppercut bij het begin, of zoals de maestro zelf ooit zei: 'Als je van de eerste scène geen stijve krijgt, gooi dan de hele boel weg' - blijft memorabel, wanneer de camera door het metrostel en onder een drukkend geruis de schichtige blik van Widmark opzoekt, en zijn diefstal als een dierlijk kat- en muisspel evoceert. Na zijn fraaie maar rimpelloos voorbijgetrokken regiedebuut I Shot Jesse James (1948) waagde Fuller zich nog één keertje aan de western. En hoe! Forty Guns, met verbluffend camerawerk van Joseph F. Biroc, blijft soeverein overeind als een zweterige en trefzekere smeerlap van een western, die kogelgaten brandt in alle stereotiepen die het genre rijk is. De despotische landeigenares Jessica Drummond (Stanwyck) regeert met haar huurlingenleger over Cochise County, Arizona. Dat is echter buiten de nieuwe sheriff Bonnell (Sullivan) gerekend, zelf ooit een schietgrage outlaw die naar zijn stoffige geboortedorpje is teruggekeerd om er de wetsorde te herstellen. Bonnells broer werd zopas vermoord, en hij is uit op wraak. Wanneer hij oog in oog komt te staan met zijn liefje Jessica, die onder schot gehouden wordt door de moordenaar van zijn broer, aarzelt hij geen halve seconde om beiden neer te knallen. Of hoe Fuller in één kurkdroge en sentimentloze scène duidelijk maakt hoe flinterdun het verschil is tussen goed en kwaad, tussen rechtschapen gentleman en wraakzuchtig beest. 'Om te vergeven moet je groot zijn,' tracht Bonnell zijn dubieuze interpretatie van snelrecht te legitimeren, 'en dat ben ik niet', waarmee we eens te meer een verre echo horen van korporaal Fuller aan het front van Wereldoorlog Twee. Een van Scorsese's all time favorites en nog steeds een cultklassieker zonder weerga. Shock Corridor is een donker-geestig, allegorisch psycho-drama over de ambitieuze onderzoeksjournalist Johnny Barrett (Peter Breck), die zich vrijwillig laat opsluiten in een psychiatrische instelling. Hij hoopt er de moordenaar van een patiënt te ontmaskeren, en al doende een scoop bijeen te pennen die hem de Pulitzer Prize oplevert. Helaas verliest Johnny stilaan zijn greep op de werkelijkheid, zeker wanneer hij in een kamer vol nymfomanes terechtkomt, de biecht aanhoort van een Korea-veteraan die naar de rooien overliep én - dé ultieme Fuller-groteske - er getuige van is hoe een zwarte patiënt in zijn Ku Klux Klan-uniform oproept tot het lynchen van 'them nigger boys'. Fuller houdt WASP (White Anglo-Saxon Protestant) Amerika een nietsverhullende spiegel voor, en zet de Verenigde Staten meedogenloos te kijk als een gekkenhuis dat besmet is met Koude Oorlog-paranoia, seksuele complexen en zuiderse rassenhaat. De expressionistische kracht van het geheel en de solide ensemblecast lijken die waanzin bijna uit te zweten. Sommige critici beschouwen dit noir-achtig melodrama, over een goedhartig ex-hoertje dat zich in de armen van een rijke weldoener weet te vleien, als Fullers meest complexe, controversiële en gesofisticeerde meesterwerk. Kelly is een prostituee die het kotsbeu is door haar pooier tot seksspeeltje te worden gedegradeerd, wat hij op een waarlijk verpletterende manier doet. The Naked Kiss opent met de hondsbrutale scène waarin de kaalgeschoren Kelly (Constance Towers) met haar naaldhak op de point-of-view camera inbeukt, waardoor je als kijker meteen murw geslagen wordt. Een uur later heeft Fuller nóg een verrassing van het donkerste soort in petto: het melodrama, dat aan Douglas Sirk refereert, slaat plots om in een wrange wraakvertelling. Kelly's nieuwe vlam blijkt immers een stiekeme pederast te zijn, waardoor haar bourgeois-droom met een voorhamer aan diggelen wordt geslagen. Met zijn bedrieglijke bevalligheid, zijn misogyne feminisme en zijn frenetieke tabloidstijl is The Naked Kiss misschien wel Fullers meest subversieve film. Elk schijnbaar salonfähig personage wordt ontmaskerd als een geld- en statusgeil creatuur, terwijl kleinstedelijk Amerika tegen het doek wordt genageld als een verziekt universum, bestierd door macho-patriarchen die vrouwen op alle mogelijke manieren misbruiken. Een naakte kus op de lippen van Miss Liberty. 'This is fictional life based on factual death', aldus de begincredits van Fullers opus magnum, waarin de ex-korporaal het semi-autobiografische relaas brengt van zijn verbijsterende ervaringen tijdens Wereldoorlog Twee. The Big Red One, Fullers lang gekoesterde droomproject, werd oorspronkelijk gereleased in 1980, maar wordt door het Koninklijk Filmarchief nu in een volledig gerestaureerde versie in de zalen gebracht. Mét veertig minuten extra materiaal dat indertijd in de montagekamer sneuvelde, en dat door filmcriticus Richard Schickel werd hersteld op basis van Fullers originele script, nota's en teruggevonden reels. The Big Red One, bijnaam van de infanterie-eenheid waar Fuller deel van uitmaakte, is conform de Fuller-traditie geen typische oorlogsfilm, maar wel een rauw en onopgesmukt verslag van de manier waarop een handvol simpele jongens - waaronder soldaten Griff (Mark 'Luke Skywalker' Hamill) en Zab (Fullers alter ego, hier vertolkt door Robert Carradine) - onder auspiciën van een flegmatieke sergeant (Lee Marvin, tough as hell) de oorlogsgruwel tracht te overleven. Daarbij passeren verschillende scharniermomenten uit de oorlog chronologisch en zonder één spatje heroïsme de revue: van het strijdgewoel in Noord-Afrika en Sicilië, over de landing op Omaha Beach en de slag bij de Ardennen, tot de macabere ontdekking van het vernietigingskamp nabij Falkenau. Ondanks zijn epische speelduur (156 minuten) en zijn grootse ambities (de wereldbrand in beeld brengen zoals een eenvoudige soldaat, Sam Fuller dus, die aan den lijve had ervaren), werd The Big Red One voor amper vier miljoen dollar ingeblikt. Toch moet deze geduldig en episodisch opgebouwde anti-oorlogskroniek, die evenveel aandacht heeft voor de dagelijkse verveling als de bloedige actie op het slagveld, nauwelijks onderdoen voor aanzienlijk duurdere producties als Saving Private Ryan. Sommige scènes slaan u ongetwijfeld nog steeds met verstomming, zoals de ziedende shoot-out in de psychiatrische instelling, de landing in Normandië (door Fuller zo levendig geregisseerd dat je niet eens merkt dat er amper honderd figuranten te bespeuren vallen) of het openwrikken van de verbrandingsovens in Falkenau. Stuk voor stuk relicten van een waanzinnige wereld vol egoïsme, haat en nijd; een wereld waarvan Samuel Fuller tegen wil en dank getuige en chroniqueur was. Fuller stond heel even in de spotlights dankzij het relatieve succes van The Big Red One, maar werd snel weer de marge ingedreven. En dat langs een parcours van goedkope tv-films en Europese B-producties, tot zijn dood in 1997. Opvolger White Dog werd immers nog voor zijn release afgedaan als 'racistisch' en 'provocerend', omdat Fuller in deze dubbelzinnig 'gekleurde' socio-thriller komaf wilde maken met de al te makkelijke 'liberale' houding tegenover racisme. Daarvoor richtte hij zijn camera deze keer op Julie (McNichol), een actrice die een aangereden hond adopteert. Geen ordinaire keffer, want het beest zet fluks zijn tanden in Julies Afro-Amerikaanse collega. Hij is een zogenaamde 'white dog', een hond die door racistische blanken (hier zoetzuur verbeeld door een liefhebbende grootvader) werd afgericht om zwarten aan te vallen. Amerika's hypocriete politieke correctheid, door Fuller voor een laatste keer aan flarden gebeten. Door Dave Mestdach