Het happy end eerst. Eind januari ging The Land of the Enlightened, net als Belgica van Felix van Groeningen, in wereldpremière op het Sundance Film Festival in het Amerikaanse Park City. Regisseur Pieter-Jan De Pue (34) ontving er de prijs voor beste fotografie voor zijn poëtische, visueel sterke docufictie over Amerikaanse soldaten in Afghanistan en kinderen die mijnen opgraven, tanks ontmantelen of smokkelkaravanen met ruwe opium en kostbare edelstenen overvallen. Het draaien van de film was niet zo happy. Er kwam bloed, zweet, kalasjnikovs en Afghaans veel geduld en volharding aan te pas.
...

Het happy end eerst. Eind januari ging The Land of the Enlightened, net als Belgica van Felix van Groeningen, in wereldpremière op het Sundance Film Festival in het Amerikaanse Park City. Regisseur Pieter-Jan De Pue (34) ontving er de prijs voor beste fotografie voor zijn poëtische, visueel sterke docufictie over Amerikaanse soldaten in Afghanistan en kinderen die mijnen opgraven, tanks ontmantelen of smokkelkaravanen met ruwe opium en kostbare edelstenen overvallen. Het draaien van de film was niet zo happy. Er kwam bloed, zweet, kalasjnikovs en Afghaans veel geduld en volharding aan te pas. Wie is Pieter-Jan De Pue? Iemand die zich na de middelbare school niet meteen braaf inschrijft voor een hogeschool of unief, maar een fototoestel leent en het op een reizen zet. Naar indianenstammen in het Amazonegebied. Naar Israël en de Palestijnse gebieden. 'Ik wilde de wereld zien. De tweede intifada was net bezig. Ik leerde ter plaatse fotograferen. Ik was ook dj. In het weekend draaide ik plaatjes in Tel Aviv, tijdens de week maakte ik fotoreportages in de Gazastrook. Via een aantal Palestijnen raakte ik clandestien in het door het Israëlische leger bezette Ramallah, op de Westelijke Jordaanoever. Ik werd er gespot door Palestijnse regeringsmedewerkers en raakte zo tot bij Yasser Arafat.' Terug in België schrijft De Pue zich in aan de Brusselse filmschool RITCS. Vier jaar later, in 2006, zwaait hij af met een ietwat abstracte, visueel krachtige kortfilm over indianen die in verdord Amazonegebied op zoek gaan naar het verdwenen water van de langste rivier ter wereld. Op dat moment is zijn passie voor Afghanistan al ontloken. 'Heel wat mensen waren inmiddels naar ons op zoek. Het gerucht ging dat we buitenlandse strijders of opiumsmokkelaars waren. Onderweg naar Kaboel vielen we in handen van een nomadenstam. Die had van een lokale militie die in contact stond met het Afghaanse leger de opdracht gekregen om twee vreemdelingen die wellicht tot Al-Qaeda behoorden, gevangen te nemen. We werden opgepikt door een legereenheid die zeer ontstemd was toen bleek dat we geen mannen van Al-Qaeda waren, maar twee domme toeristen die een stommiteit hadden begaan. Even zag het ernaar uit dat ze hun frustratie zouden uitwerken op het stamhoofd. Uiteindelijk hebben ze ons naar hun commandant gebracht, in een kleine stad in het binnenland. Nadat we onze diepste verontschuldigingen aangeboden hadden, lieten ze ons gaan. Zonder geld, zonder visum, zonder iets moesten we Kaboel zien te bereiken. Veel van wat we toen gezien hebben, belandde in de film: de anarchie, de terreur, het machtsmisbruik, de karavanen, de kinderbendes, de smokkel van blauwe edelstenen, wapens en ruwe opium. We zagen mijnenvelden waar kinderen mijnen opgroeven om ze door te verkopen. We spraken met kinderen die het lichaam van een dertienjarige hadden, maar het denkvermogen van een dertiger. Snel opgegroeide minivolwassenen die enorm flexibel en zelfstandig waren. Na nog eens een overval hebben we Kaboel bereikt. Met het Belgische leger vloog ik terug naar huis, vastbesloten om dat debacle nooit te herhalen, maar met genoeg ideeën voor een sterke film. Dat was in 2007.' 'In 2008 ben ik aan het scenario begonnen en keerde ik, beter voorbereid, terug naar Afghanistan voor fotoreportages over de mensen die ik er de eerste keer was tegengekomen. Ik leerde Farsi spreken en probeerde een idee te krijgen van hun cultuur en manier van leven. Datzelfde jaar ging ik ook mee met het Amerikaanse leger, embedded. Op de tweede dag liepen we in een hinderlaag van de taliban die veel Amerikanen het leven kostte. Ook dat was een superindrukwekkende ervaring.' In 2010 ging De Pue nogmaals embedded mee met het Amerikaanse leger. 'Het counter insurgency-offensief voorzag in bemande outputs die de taliban aan de grens met Pakistan moesten tegenhouden. Wij trokken anderhalve maand in bij zo'n unit, op een bergtop die de taliban probeerden te veroveren. Als de taliban 's morgens begonnen te schieten, reageerden de Amerikanen met artilleriebombardementen en straaljagers die alles in de fik staken. Andere dagen waren verpletterend vervelend. Die soldaten konden niet van die bergtop.'s Nachts dropten helikopters water en eten. Op een dag zagen we Afghaanse kinderen die kogelhulzen kwamen ophalen en Afghaanse soldaten die hasj en brood verkochten. Ineens had ik voor mijn film de perfecte link tussen de Amerikaanse soldaten en de wereld van de Afghaanse kinderen.' Pieter-Jan De Pue ging in zee met Bart Van Langendonck, de producent van Rundskop en D'Ardennen. Na nog twee voorbereidende reizen - een om aan geïnteresseerde coproducenten beelden van de kinderen te laten zien, een andere om uit te vissen hoe je in de winter een expeditie naar een bijna onbereikbare berglocatie aanpakt - kon er in de zomer van 2013 eindelijk gefilmd worden. 'De crew bestond uit vijf Europeanen en twaalf Afghanen. We trokken over enkele bergpassen naar een edelsteenmijn op twee dagen rijden van Kaboel. De nieuwe leiding van die mijn bleek niet op de hoogte van onze komst, noch van de gemaakte afspraken. Er hing een vreemde sfeer. Na twee dagen kwamen we erachter dat de moellah van dat dorp ons heel slechtgezind was. Hij strooide het gerucht rond dat we heidenen waren en riep een soort van fatwa over ons af. Ze mochten ons met zijn permissie afschieten. De Afghaanse productieleider stelde voor om iedereen te betalen zodat we een dag hadden om onze spullen te pakken en op te rotten. De volgende dag zijn we vertrokken, maar het was al te laat. Het dorp had in samenspraak met de taliban een hinderlaag gelegd. De Afghaanse crew werd in elkaar geslagen en gedwongen om al het filmmateriaal kapot te slaan. Eigenlijk moesten ze ons hebben, maar wij zaten in de tweede wagen, die op een afstand gebleven was. Een verrot geslagen assistent kwam tot bij ons en vertelde in shock wat er gebeurd was. Twee mensen waren zwaargewond. Een van hen had ademhalingsproblemen. Door de slagen van de kalasjnikovs en de stenen waren zijn longen geperforeerd. We moesten zo snel mogelijk naar boven rijden. Ik weigerde dat omdat ik ervan uitging dat de taliban op ons lagen te wachten. De assistent schold me uit voor vuile Europeaan en vroeg of het leven van buitenlanders soms meer waard was. Ik ben dan op mijn eentje met medicijnen en water naar boven gegaan. Met de radio zou ik de Europese crew laten weten of de kust veilig was. Boven - je moet je een kaal, dor maanlandschap voorstellen - zag het er niet goed uit, maar de overvallers waren weg. We waren het stukgeslagen materiaal aan het opladen in de vernielde jeep toen op de bergtop een witte Toyota- terreinwagen verscheen. De productieleider dacht dat de taliban mij kwamen halen en riep dat ik weg moest lopen. Dat deed ik, maar die jeep versnelde en vanuit de laadruimte begonnen ze met kalasjnikovs op me te schieten. Ik dacht dat het met me gedaan was. Ik verwachtte elk moment een kogel in het hoofd.' 'Via de radio riep ik naar de Europese crew dat er geschoten werd en dat ze moesten wegrijden. De jeep kwam alsmaar dichter. Ik was aan het lopen en vallen toen ik plots de kans zag om me achter een rots te verstoppen. Tot mijn grote verbazing reden ze me voorbij. Ik dacht de Afghaanse crew afgemaakt was, hoopte dat de Europese crew was kunnen ontsnappen en probeerde in het donker de berg over te steken om de politie erbij te halen. Onderweg kwam ik een politiejeep tegen. De agenten hadden noodberichten van de Europese crew ontvangen. Ook de Belgische ambassade had indirect contact gemaakt. Ze vertelden dat ze een civiele wagen vooruitgestuurd hadden met vier politieagenten die verkleed waren als gewone Afghanen om zo makkelijker in de taliban te infiltreren. Een witte Toyota-jeep. Niet de taliban hadden me dus beschoten, maar die vermomde agenten, die me voor een talib gehouden hadden. Zij hadden de Europese crew gevonden. Ook daar was het eerst grote paniek, maar kon alles gelukkig uitgeklaard worden. Ondertussen stond België al in rep en roer. We zijn naar Kaboel teruggekeerd. Daar kregen we dreigtelefoons van de taliban. We zijn dan maar naar België teruggekeerd.' 'Bart Van Langendonck wilde daarna niet meer terugkeren naar Afghanistan. Er was al zo veel geld uitgegeven dat die film er echt wel moest komen. Dat moest dan maar opgelost worden met de reeds gedraaide beelden en trucjes zoals een voice-over of animatie. Maar ik wilde me niet als regisseur lanceren met een halve film. Ik kon Bart overtuigen om het scenario sterk te vereenvoudigen en mij alleen naar Afghanistan te laten terugkeren. Het idee was om dit keer heel flexibel te zijn - ik had een plan A, B, C, D, E en F - en low profile te blijven. De grote fout in 2013 was dat we te veel aandacht trokken. Een hinderlaag was kinderspel voor de taliban.' 'In januari 2014 ben ik teruggekeerd. De volgende zeven maanden hebben we tachtig procent van de film gedraaid. Inventief en onvoorspelbaar, zoals Afghanistan zelf. Grote incidenten zijn er niet meer geweest. De eerste maanden in het hooggebergte waren logistiek wel loodzwaar. We hebben drie dorpen ingeschakeld en al hun dieren gebruikt: kamelen, paarden, jaks. Er moesten broden gebakken worden, beesten geslacht, vlees gepekeld. Iedereen hielp mee. We sliepen in grotten of in tenten op een bevroren rivier. We aten wat de mensen daar eten: zowat alles van een schaap, op de wol na. Drie maanden lang heb ik me niet gewassen want je wast je niet met koud water als het vijfentwintig graden onder nul is. Maar goed, het was er veilig. Nadien zijn we het binnenland ingetrokken om te filmen in de mijnenvelden en een kerkhof voor tanks. Een deel van de kinderen hebben we voor de eindscène meegenomen naar Kaboel. Voor die jongens was dat een totaal andere wereld. Ze waren nog nooit in een stad geweest. Ze hadden zelfs nog nooit in een auto gezeten.' Terug thuis liep de montage van de film niet van een leien dakje. De Pue wilde te snel gaan en moest een paar keer herbeginnen. Het duurde nog tot juli 2015 voor The Land of the Enlightened helemaal af was. Sundance liet meteen weten dat het de film wilde programmeren. 'Ik heb nooit overwogen om op te geven. Ik kan dat moeilijk uitleggen. De drang om de film af te werken, was sterker dan de intensiteit van net niet doodgeschoten te zijn. Zoiets. Afghanistan wordt door al die intense momenten op een bepaald moment ook een verslaving. Een adrenalineverslaving is het niet - het is niet dat we voortdurend aan het kicken waren -, maar je voelt er wel dat je aan het léven bent. Dat land kruipt in je bloed. Het is zo excentriek dat het niet lijkt te passen in deze wereld of deze tijd. Het is er nog de middeleeuwen. Maar spreek de taal, woon er en je wordt voor een stuk zelf Afghaan.' 'Er zijn veel moeilijke momenten geweest, maar die zijn voor de making-of. In de film wilde ik de negatieve kant niet belichten. Je kunt een film maken over kinderen met een heroïneverslaving, over de corruptie op alle niveaus of over de schendingen van vrouwenrechten. Maar zulke films zijn er al genoeg over Afghanistan. Dat land heeft nog andere dingen te bieden: dramatiek, de schoonheid van de landschappen, de overtuiging en de trots van de kinderen. Waarden die bij ons verwaterd zijn, voeren zij nog hoog in het vaandel. Oprechte gastvrijheid, verregaande vriendschap. Ik zal het nooit vergeten: toen een kerel mij wilde kidnappen, sprong een vriend tussen ons in. Hij duwde de kalasjnikov tegen zijn eigen hoofd en zei: "Je zult mij moeten neerschieten voor je hem kunt meenemen." Door dat soort voorvallen had ik geen keuze: ik móést de film maken.' THE LAND OF THE ENLIGHTENED Vanaf 9/3 in de bioscoop. DOOR NIELS RUËLL - FOTO'S CARMEN DE VOS'EEN MOELLAH STROOIDE HET GERUCHT ROND DAT WE HEIDENEN WAREN EN RIEP EEN SOORT FATWA OVER ONS AF. ZE MOCHTEN ONS MET ZIJN PERMISSIE AFSCHIETEN.' 'DIE DERDE KEER IN AFGHANISTAN HEB IK ME DRIE MAANDEN NIET GEWASSEN. JE WAST JE NIET MET KOUD WATER ALS HET VIJFENTWINTIG GRADEN ONDER NUL IS.'