Merian C. Cooper & Ernest B. Schoedsack, 1933
...

Merian C. Cooper & Ernest B. Schoedsack, 1933 Ernest B. Schoedsack, 1934 Soya Kumagai, 1938 John Lermont, 1961 Ishiro Honda, 1962 Ishiro Honda, 1967 John Guillermin, 1976 Paul Leder, 1976 Frank Agrama, 1976 John Guillermin, 1986 Een monstrueuze gorilla uit plasticine klautert de Empire State Building op, Fay Wray schreeuwt Manhattan bijeen, en een onverslijtbare filmmythe wordt geboren. Het 'achtste wereldwonder', zoals Kong door de promojongens wordt omschreven, is meteen een kaskraker en wordt de reddende engel van de noodlijdende RKO Studios. Met dank aan de verbeeldingskracht van regisseurs Cooper en Schoedsack, scenarist Edgar Wallace, componist Max Steiner en special effects-goeroe Willis O'Brien. Acteur Robert Armstrong trekt opnieuw de regisseurs-plunje van Carl Denham aan - het kwalijke personage dat Kong richting New York sleepte - en loopt deze keer zowaar diens zoontje tegen het knuffelbare lijf. Haastige, licht ironiserende sequel waarin trouwens met geen woord over de moeder wordt gerept. Het negende wereldwonder? Kong trekt richting Japan. Dit keer niet met de hulp van stop-motion technieken, maar die van een acteur die onder een harig kostuum loopt te zweten. Naar verluidt dé film die het idee voor Godzilla deed gisten, en in elk geval minstens even legendarisch als Skull Island. Meer dan enkele stills en verwarde getuigenissen van Japanse veteranen blijven er niet van over. Een schattige chimpansee krijgt met dank aan een geschifte wetenschapper een groeispurt van jewelste, en muteert tot een schuimbekkende monsteraap die Londen tot een theebaaltje dreigt te reduceren. Een lachbreuk van een monsterfilm met special effects die even gedateerd ogen als een gemiddelde aflevering van de Benny Hill Show. Dé clash der kolossen aan de voet van Mount Fiji. Kong wordt opgetrokken uit helium-ballonnen, blijkt plots wel tweehonderd meter gegroeid - kwestie van de eerste ronde tegen Godzilla te overleven - en gaat het duel aan met het radioactieve, vuurspuwende reptiel uit rubber. Campy monster thrash uit de Japanse Toho Studios, waarin Kong zijn debuut maakt in kleur. Wat begint als een getrouwe remake, ontaardt al snel in een kitscherig spektakel met als surrealistisch hoogtepunt de clash tussen Kong en een mechanische replica, die door de knotsgekke Dokter Who werd ineen geknutseld. De LSD was duidelijk van uitstekende kwaliteit. Uber-producer Dino de Laurentiis - nooit verlegen zittend om een monster meer of minder - blaast niet zozeer de Kong-legende nieuw leven in, maar vooral de kapsels van Jeff Bridges en Jessica Lange. Roman Polanski en Sam Peckinpah bedankten Dino vriendelijk voor het aanbod, en dus dook John 'Towering Inferno' Guillermin maar de regiestoel in. Een groots opgezette maar matig succesvolle film die inmiddels zo 'seventies' oogt dat Kong bijna uit het achtergrondkoortje van Boney M. lijkt weggeplukt. Een veertig meter grote gorilla bezoekt Korea en trapt er ondermeer enkele flatgebouwen en de goede smaak aan diggelen. Onvoorstelbaar suffe rip-off met als hilarische climax het gevecht tussen een Kong lookalike en een stuk plastic dat volgens filmhistorici en psychiaters van de Lacaniaanse school een variant op de monsterhaai Jaws moet voorstellen. Britse slapstick parodie op het feminisme, maar dan helaas wel één met bloedarmoede. Met ene Ray Fay als het olijke baasje waarop de vrouwelijke monstergorilla verliefd wordt. Trop is teveel en teveel is trop, behalve dan voor Dino De Laurentiis en John Guillermin. Tien jaar nadat Kong in hun update van het World Trade Center werd geknald, wordt het beest weer uit coma gehaald. En dat om aan een vrouwelijke soortgenoot te worden gekoppeld, en Linda Hamilton boven zijn kooi te zien hangen. Geef toe: een aap zou voor minder aan het briesen en brullen gaan. 'KING KONG' VANAF 15/12 IN DE BIOSCOOP EXTRA OP WWW.FOCUSKNACK.BE OUDE INTERVIEWS MET PETER JACKSON. Dave Mestdach