Eerste zin De avond is somber en de Heilige Geest hangt in de lucht.
...

Eerste zin De avond is somber en de Heilige Geest hangt in de lucht. In wellnesscentrum Thalassa vindt een doopplechtigheid plaats. De ietwat naïeve Stijn wil met zijn hart en verstand voor de Heer kiezen en legt daarom zijn lot in de handen van Arvik, een evangelisch christen in houthakkershemd en met een tattoo van Iron Maidens monsterkop op de arm. Arvik plaatst zijn hand op Stijns voorhoofd en duwt hem zachtjes naar achteren. Die voelt hoe hij onder water wordt gedrukt en gedrukt en gedrukt. Rare doop, panikeert hij wanneer Arvik niet van plan lijkt hem weer boven te halen en dus slaat en schopt hij zich een weg naar de vrijheid, waarna hij door het chloorwater in zijn ogen heen ziet hoe niet alleen Arvik, maar ook alle andere aanwezigen in slaap zijn gevallen. In Pest, Joost Devrieseres debuutroman, valt negentig procent van de mensheid plots in slaap. Hoe dat komt, weet niemand en wat bepaalt wie eraan ontsnapt, zal alleen de wakkere lezer ontdekken. Tegen die achtergrond vertelt Devriesere een aantal verhalen, over een mishandelde vrouw die opeens haar kans schoon ziet om haar boeman in de koffer van zijn eigen BMW te proppen, of over een vrouw die een filmrecensent ontvoert en hem met haar taser bewerkt. In het land der slapenden stellen de wakenden orde op zaken, lijkt het wel. Pest is niet alleen de titel van het boek, het is ook de Vlaamse stad waar het speelt, die overduidelijk Kortrijk is, de stad waar de nieuwe burgemeester de vorige een hak zette door in het geniep met twee andere partijen een coalitie te vormen. Politiek, in zijn grote en kleine variant, vormt trouwens een rode draad doorheen de roman. Niet alleen is de voormalige staatssecretaris tegen Asiel en Migratie als een van de weinige resterende wakkere regeringsleden waarnemend premier geworden, ook op lokaal vlak moet beslist worden welke slapers het best verzorgd dienen te worden, en dat blijken steevast rijke en machtige mannen te zijn. Pest laat zich allicht het beste typeren als een spitse politieke satire die herinneringen oproept aan José Saramago's De stad der blinden, met dit verschil dat Devrieseres verhalen ook iets vertellen over het leven en de dood, en dus niet alleen over de politiek. En dat hij meer muziek heeft gehoord en meer films heeft bekeken, waardoor zijn roman een stuk hipper en hedendaagser aanvoelt.