Als er al een voordeel is aan het Trump-tijdperk, dan wel de herontdekking van de dystopische literatuur. 1984 van George Orwell duikt zowaar weer op in de bestsellerlijsten. De tijden zijn nog net niet zo grimmig als de Engelse schrijver voorspeld had, maar nu er op iedere straathoek een camera hangt, we onze privacy met elke like te grabbel gooien en populisten dromen van keizerlijke macht - liefst ongehinderd door wereldvreemde rechtspraak en factcheckende media - dreigt zijn roman stilaan feitelijke geschiedschrijving te worden.
...

Als er al een voordeel is aan het Trump-tijdperk, dan wel de herontdekking van de dystopische literatuur. 1984 van George Orwell duikt zowaar weer op in de bestsellerlijsten. De tijden zijn nog net niet zo grimmig als de Engelse schrijver voorspeld had, maar nu er op iedere straathoek een camera hangt, we onze privacy met elke like te grabbel gooien en populisten dromen van keizerlijke macht - liefst ongehinderd door wereldvreemde rechtspraak en factcheckende media - dreigt zijn roman stilaan feitelijke geschiedschrijving te worden. Net als in 1984 is de ongerepte natuur bij de Oostenrijkse schrijfster Valerie Fritsch aanvankelijk nog een vrijhaven. Anton Winter groeit op in een idyllische commune, ver van de grauwe stad. Als kind kan hij volop ravotten in een verwilderde tuin terwijl zijn ouders van het land proberen te leven. Zoemende bijen, bloeiende seringen, omaatjes die kledij verstellen, roezige zomers en met sneeuw overladen winters: de arcadische droom verwerkelijkt. Maar hoe sappig Fritsch het fruit ook beschrijft, je proeft al in het openingshoofdstuk de rotte plekken. De natuur blijkt niet gul genoeg om de monden te voeden en de volwassenen moeten overdag opnieuw de rol van kantoorslaaf op zich nemen; ze pendelen naar de stad en vallen gaandeweg ten prooi aan de verlokkingen van de consumptiemaatschappij. De commune verrafelt en ook Anton betrekt een woontoren, de hoogste van de stad. Hij kan nog net de zee zien en zijn plafond is behangen met vogelkooien. Een onbereikbare oceaan en ooit zo vrije vogels achter tralies: Fritsch schuwt de symboliek niet en zoals dat hoort in een dystopie, tast het rot ook de stad aan. Beton verkruimelt, straten worden oorlogszones waar gewelddadige kinderbendes de plak zwaaien en elke zaterdag kun je naar het park om er deel te nemen aan de collectieve zelfmoord. Ergens tussen de waanzin ontdekt Anton nog een vrouw in wie nog een vlammetje hoop flonkert, maar of dat voldoende is om de apocalyps te overleven? Fritsch put zich - gelukkig - niet uit in breed opgezette achtergronden en verantwoordingen. Waar Orwell nog zijn best doet om alles politiek te duiden en uitlegt hoe alles op glorieuze wijze naar de verdoemenis gaat, zwijgt Fritsch. Of ze laat haar taal spreken, want dat is de échte sterkte van dit debuut: een wonderbaarlijk mooie stijl. In elke alinea tref je wel een zin die je even doet opkijken van de pagina, enkel om hem dan met dubbel plezier te herlezen. Vilein is het, hoe Fritsch je verleidt met haar woorden - laten we dankbaar zijn dat ze schrijfster is geworden en geen rattenvangende politicus want ze zou ons met haar sirenenstem makkelijk de afgrond in lokken. WINTERS TUIN **** Valerie Fritsch, De Bezige Bij (oorspronkelijke titel: Winters Garten), 176 blz., ? 17,90. RODERIK SIXCENTRALE ZINNEN - Alles had zijn plek in deze tuin. Niets was onmogelijk in die tijd. De hemel was even veraf als de maan.