David Fincher, met Jody Foster, Kristen Stewart, Forrest Whitaker, Jared Leto, Dwight Yoakam
...

David Fincher, met Jody Foster, Kristen Stewart, Forrest Whitaker, Jared Leto, Dwight Yoakam Het huis is aartsdonker, heeft vier verdiepingen, een lift en genoeg kamers om een leger daklozen te herbergen. En het ligt in New Yorks miljoenenkwartier Upper West Side. Welke pas gescheiden, van pijn ineenkrimpende moeder met contactgestoorde dochter zou het niet willen betrekken, zeker als de schatrijke, ontrouwe ex-manlief betaalt? De gekwetste Meg Altman (Foster) wil alleen ' a place for my daughter to be happy' en, zoals elke rijke deerne, wat veiligheid en geborgenheid. Die wordt zeker verstrekt door de betonnen ruimte met stalen deur achter de spiegel in de slaapkamer, waarin hightech videobewaking, telefoon en voedsel het mogelijk maken elke 11 september te doorstaan. Of iets bescheidener: een inbraak door drie boosdoeners (de een al wat meer psychopaat dan de ander) die uitgerekend tijdens de eerste nacht in het huis op zoek zijn naar een schat die zich uitgerekend in die kamer bevindt. Dat Meg claustrofobisch is, kan haar fascinatie alleen maar verhogen: de ruimte wordt toch niet voor niets 'paniekkamer' genoemd? Veiligheid voor alles, zo denkt de moderne, alleenstaande moeder. Alleen: zij besluit de gebruiksaanwijzing pas de volgende dag te lezen. David Fincher bevolkt zijn akelige, in schemer en donker gehulde filmwerelden steevast met personages die in een hachelijk kat-en-muis-spel gewikkeld zijn: het monster met Ripley in Alien3 ; bijbelse pyschopaat John Doe met Detective David Mills in Se7en; Conrad Van Orton met zijn broer Nicholas in The Game; Tyler Durden met zijn ego in Fight Club. Maar deze keer zijn het niet zozeer de personages die willen spelen, als wel Fincher zelf. Voor de gelegenheid sloot hij zich op in een studio en vraagt hij ons bovenal de postmoderne ironie te doorzien van zijn house of games. Want na de hoger geschetste premisse moet een gevecht volgen tussen zijn duister, cinematografisch genie en de onwaarschijnlijke routine van scenarist David Koepp (die Jurassic Park:The Lost World 'schreef'). Helaas verliest Fincher het gevecht. Toegegeven, met Darius Khondji en Conrad L. Hall Jr. geeft hij nieuw licht aan de term noir. En na een toepasselijk goddelijke titelsequens holt en tolt de camera met behulp van CGI doorheen zowat elk onmogelijk gat (het oor van een koffiekan, een slot). Maar de ironie faalt glansloos. Mislukt is ook de finale verwijzing naar Stanley Kubricks The Killing (op zijn beurt een verwijzing naar John Hustons The Treasure of the Sierra Madre). Wat daaraan nog voorafgaat is bij wijlen spannend, maar ook even hol als de bodem van de schatkist die de inzet was. Jo Smets