Eerste zin Ik moest denken aan een beekje achter de stad, een vreemd glinsterend water, op sommige dagen melkwit, dat ik vele kilometers ver gevolgd heb, een hele herfst of nog langer, misschien alleen maar om uit een territorium te ontsnappen dat, om er maar rond voor uit te komen, doo...

Eerste zin Ik moest denken aan een beekje achter de stad, een vreemd glinsterend water, op sommige dagen melkwit, dat ik vele kilometers ver gevolgd heb, een hele herfst of nog langer, misschien alleen maar om uit een territorium te ontsnappen dat, om er maar rond voor uit te komen, door de grenzen van mijn vermoeidheid was afgebakend. In uitwaaierende gedachten wandelt een man langs een rivier. Schijnbaar doelloos volgt hij de loop van het water en de loop van zijn meanderende verleden. Als jongen liep hij dezelfde stroom af en hij denkt terug aan zijn bedompte huis, aan de ouderlijke woonst waar hij zich altijd een vreemdeling voelde, aan zijn nutteloze schooljeugd, aan zijn verlangen om een stoere fabriekswerker te worden. Gaandeweg verandert het idyllische landschap in een bar land dat de donkerste era's van Duitsland belichaamt. De rivier wordt een giftige beek vol lichaamssappen, vol as en rottende karkassen, en de fabriek blijkt een slachthuis te zijn - is het toeval dat het abattoir Germania II heet? Oude afdekkerij - het woord verwijst naar de verloren ambacht van de vilder - barst van de gelaagde taal en elke zin van Wolfgang Hilbig (1941-2007) is op zich een essay waard. Deze roezige novelle vergt enige overgave maar eens je je laat onderdompelen in de taalkunst, kom je als herboren boven water.