‘Oorlogs- en actiefilms: dat troost’

© ATHOS BUREZ

Elf jaar geleden was hij nog een anonieme boekhouder in Iraaks Koerdistan met een zwak voor Terminator 2. Vandaag is hij met Land of the Heroes de meest bekroonde van de huidige generatie Vlaamse kortfilmers. De onwaarschijnlijke levensloop van regisseur Sahim Omar Kalifa.

‘België. Uitstappen.’ De chauffeur trekt het luik onder aan de vrachtwagen open. Dit is zijn stop. Hij neemt afscheid van zijn zeven metgezellen en laat zich door de opening uit de laadbak glijden. Onmiddellijk knijpt hij zijn ogen dicht tegen het verblindende daglicht. Hoe lang zou de donkerte geduurd hebben? Zes dagen? Een week? De chauffeur geeft hem een koekje. Het smaakt naar karton – na dagen zonder water is zijn mond kurkdroog. Hij kijkt om zich heen. Een vrachtwagenparking langs een Belgische autostrade. Iets verder staat de auto klaar die hem naar het asielcentrum zal brengen, van daar kan hij zijn familie bellen. Hij probeert te stappen. Zwalpt. De honger heeft zijn lijf verzwakt, de dagenlange ongemakkelijke houding zijn spieren verstramd. Maar: hij is er geraakt.

Het is een scène die hij nooit zal verfilmen. Sahim Omar Kalifa houdt niet van waargebeurde cinema. Maar het is een herinnering die hij koestert. De dag was 10 april 2001 en het was het begin van zijn Belgische droom. Een beetje als de Amerikaanse, maar dan met iets minder glamour.

Een week eerder was Omar Kalifa nog een boekhouder in Zakho, een stad van 200.000 inwoners in het noorden van Iraaks Koerdistan, op de grens met Turkije en Syrië, slechts enkele kilometers verwijderd van de bergen waar de separatisten van de PKK zich schuilhielden. Hij was opgegroeid in een naburig dorpje, de vijfde in een gezin van tien – al kan hij ook de vierde geweest zijn, dat weet hij niet meer precies. Boekhouden was niet zijn keuze. De Iraakse overheid had dat in zijn plaats beslist – zelf had hij liever iets meer artistiek gedaan. Dezelfde overheid had in 1988 drie van zijn broers vermoord in de Al-Anfaloperatie, vermoedelijk in een gifgasaanval. Toen hij zestien was, waren zijn ouders naar België gevlucht. Zijn vader kon zijn mond niet houden. Als hij iets wilde zeggen, dan moest hij het ook zeggen. En onder het Saddamregime was dat te gevaarlijk geworden.

Vijf jaar later volgde hij zijn familie. Eerst naar Turkije, waar hij 2500 euro gaf aan een mensensmokkelaar om illegaal in twee dagen van Istanbul naar Brussel te reizen. Het slaapcompartiment achter de chauffeur was hem beloofd. Het werd de laadbak, samen met zeven anderen, in een ruimte die te klein was om te liggen. Twee dagen werden er zeven.

‘Koerd overleeft dagenlange tocht als verstekeling in container’, kopt De Standaard enkele dagen na zijn aankomst. Het is de eerste keer dat de naam Sahim Omar Kalifa opduikt in de krantenarchieven. De tweede keer is tien jaar later. ‘Vlaamse kortfilm wint in Berlijn.’

‘Toby!’

‘Megamindy!’

‘Kom, snel naar buiten.’

(het gebouw stort in)

‘Megamindy, je hebt mijn leven gered!’

De televisie staat op ten huize Omar Kalifa in Wilsele, op de rand met Leuven. Van achter het scherm vertrekt een lange kabel doorheen de living naar de schotelantenne buiten, maar het is Ketnet dat opstaat. Voor me staan zoete, zwarte thee en Turkse koekjes op de salontafel, bedekt met een Perzisch ogend tafelkleed. ‘Speciaal geïmporteerd gebak uit Turkije’, zegt zijn vrouw in het Koerdisch tegen hem. Sahim vertaalt voor mij. ‘Ze spreekt een beetje Nederlands, maar nog niet zo goed.’ Erdewan (6) en Jinda (2) kijken gebiologeerd naar het scherm. Hun vader kijkt met een half oog mee. ‘Ik heb de aflevering al gezien. Megamindy en Piet Piraat ken ik beter dan zij.

‘Dat is het eerste dat me opviel toen ik in België aankwam: hier is er altijd iets op tv voor kinderen. Toen ik klein was in Koerdistan, was dat helemaal anders. Ik was negen toen de Iraaks-Iraanse oorlog uitbrak in 1989. Er was maar één staatszender, die non-stop de oorlogspropaganda van Saddam Hoessein verspreidde. Ik haatte Saddam toen. Niet omdat hij een dictator was, niet omdat zijn regime mijn broers had vermoord, niet omdat het oorlog was, maar omdat ik geen tekenfilms meer kon zien. Als kind ziet de wereld er een stuk simpeler uit.’

De link met Land of the Heroes, zijn kortfilm van vorig jaar, opgenomen in Koerdistan, ligt voor de hand. Een verhaal over een jongen in Spider-Man-kostuum en zijn zusje die bij gebrek aan tekenfilms op tv eropuit trekken. Terwijl hun moeder gevonden bazooka’s en kalasjnikovs oppoetst om door te verkopen, halen zij kattenkwaad uit met hun neefje. ‘Niet autobiografisch’, zegt hij, ‘maar geïnspireerd door herinneringen.’ Pour la petite histoire: Omar Kalifa probeerde de tekenfilm van zijn jeugd – Tom & Jerry – te gebruiken, maar Universal wilde meer voor de rechten dan het volledige productiebudget van de kortfilm.

Land of the Heroes is niet de film die je zou verwachten op basis van de trefwoorden ‘Irak’, ‘Engelse titel’ en ‘vreemde regisseursnaam’. Geen zwaar politiek drama of arty landschappelijke cinema, maar een lichtvoetige film, die meer op jeugdherinneringen teert dan op de achtergrond van de Iraaks-Iraanse oorlog. Precies dat is de grote sterkte van de film: de doorwrochtheid en authenticiteit waarmee Omar Kalifa zijn verhaal benadert. Hij heeft iets unieks te vertellen.

Het is de meest bekroonde Vlaamse kortfilm van het voorbije jaar. Op de gordijnkast boven onze hoofden staan de bewijzen. Toen hij vorig jaar van het Filmfestival van Berlijn terugkwam met de eerste prijs in de Generation-categorie, had hij geen kast om zijn beeldje op te zetten. De award kreeg dan maar een plaatsje boven de gordijnen. Elf prijzen later lijkt het hout het bijna te begeven. Tachtig filmfestivals over de hele wereld reisde hij af, twaalf keer mocht hij op het podium komen. De jongste keer was in mei, toen hij op het China International KingBonn Short Film Festival in Shenzhen de hoofdprijs won, goed voor 50.000 dollar. ‘Je had de slotceremonie moeten zien. Reusachtig. Het moest niet onderdoen voor Cannes.’

Dat hij daar überhaupt stond, is puur aan het toeval te wijten – en een krantenadvertentie. Nadat zijn asielaanvraag werd goedgekeurd, ging Sahim economie studeren aan de KU Leuven, om zijn bestaan in Koerdistan hier voort te zetten. Tot een vriend hem in 2004 reclame in een krant toonde van een jongen en meisje met een camera in de hand. ‘Hogeschool Sint-Lukas Brussel: jouw plek bij uitstek.’ Het was wat hij altijd al had willen doen, maar iedereen raadde het hem af. Op zijn 25e was hij te oud voor een carrièreswitch. Hij deed toch zijn ingangsexamen. Tot zijn eigen verbazing slaagde hij. Hij wilde cameraman worden – dat leek haalbaarder. Het werd regisseur. ‘Achteraf hoorde ik dat Michael Haneke veertig was toen hij met filmen begon. Dát is pas oud.’

ER WORDT GEZAPT. NEDERLAND-DUITSLAND FLITST voorbij, de meest geanticipeerde match in de poulefase van het Europees kampioenschap voetbal. Zeker voor Koerden: de Duitse sterspeler Mesut Özil heeft Turks-Koerdische roots. ‘Dat is voor straks’, zegt hij. ‘De match staat geprogrammeerd in mijn digibox.’ Ik zeg dat hij dan wel moet vermijden dat hij de uitslag te weten komt – in tijden van smartphones en nieuwsflashes niet meer zo evident. ‘O nee, dat maakt niet uit. Ik geniet er evenveel van als ik al weet wat de uitslag is.

‘Vreemd? Helemaal niet. Je kunt toch van een match genieten als je de uitslag al kent? Ik herinner me Duitsland-Engeland, de halve finale op het EK van 1996. Zeker vijftig keer heb ik die match bekeken. Waarschijnlijk zelfs zestig. Ik supporterde voor Engeland, het land van de grote Alan Shearer. De uitslag was 1-1, Duitsland ging door op penalty’s. Ik wist alles wat er zou gebeuren. Ik wist dat Shearer zou scoren. Ik wist dat Gareth Southgate de beslissende penalty zou missen. En toch keek ik opnieuw en opnieuw. Elke keer als ik terugspoelde, hoopte ik dat het deze keer wel zou lukken. Elke keer sprong ik op, elke keer opnieuw was er de ontgoocheling. Eén keer een match kijken is geen keer. Precies zoals met cinema.’

Zijn er films die je vijftig keer gekeken hebt?

SAHIM OMAR KALIFA: Zeker weten. Terminator 2 heb ik mínstens zoveel keer gezien. Ik ben een kind van de VHS-generatie. Elke film die er op televisie uitgezonden werd, namen we op cassettes op om opnieuw te bekijken. Alleen: de enige films die op de zenders kwamen, waren commerciële Amerikaanse actiefilms. Terminator, Rambo, Jackie Chan, Arnold Schwarzenegger, allemaal gedubd in het Turks of Arabisch. Dat was de cinema van mijn jeugd.

Niet meteen wat je zou verwachten.

OMAR KALIFA: Het zegt wel iets over waar ik vandaan kom. Iedereen ginder heeft wel zijn trauma’s van de oorlogen en bombardementen. Voor hen is dat anders. Als zij naar oorlogs- en actiefilms kijken, troost dat. Het lijkt even of ze niet de enigen zijn met problemen – volgens mij is dat verband zelfs psychologisch onderzocht. Toen ik op Sint-Lukas aankwam, was er één iemand die zei dat hij van oorlogsfilms hield. De hele klas moest lachen – en ik snapte niet waarom. (lacht)

Maar als het een geruststelling mag zijn: met goede films heb ik dat ook. The Machinist: twintig keer gezien. Psycho, Nos-feratu, Metropolis, Blue Velvet, American Beauty: minstens tien keer gezien. Ik doe het nog altijd. Bij een goede film hoort dat.

Toch: ik denk niet dat ik al gesproken heb met iemand die meer dan 100 uur aan Terminator 2 gespendeerd heeft.

OMAR KALIFA:(lacht) Veel meer ook. Toen ik zestien was, heb ik mijn eerste digitale camera gekocht. Het enige wat ik ermee deed, was scènes naspelen uit Terminator 2. Die openingsscène waarin een naakte Arnold een bar binnenstapt om kleren te zoeken: dat stuk deden we dan, met de kinderen uit het dorp in de hoofdrollen. Een beetje zoals die film van Michel Gondry, Be Kind Rewind, maar dan met steeds hetzelfde voorbeeld. Dat was cinema voor mij voor ik in België aankwam.

Koerdistan heeft geen filmtraditie: ik kende gewoon niets anders. Er was één uitzondering: de films van Yilmaz Güney, een Koerdische filmmaker uit de jaren 60 en 70. Hij heeft in Cannes nog een Gouden Palm gewonnen voor Yol. Dat was iets anders. Artistieker. Hij maakte films over de Koerdische zaak, maar op een indirecte, subtiele manier. Door hem heb ik echte cinema in mijn bloed gekregen. Ik denk niet dat er één Koerdisch regisseur is die niet door hem beïnvloed is.

Hoe kijken ze ginder naar jouw kortfilms?

OMAR KALIFA: Mijn familie zegt wel dat ze ze goed vinden, maar dat is vooral om mij te sparen, denk ik soms. Nadat Nan, mijn afstudeerfilm, een VAF Wildcard had gewonnen op het Kortfilmfestival van Leuven, heb ik veel negatieve reacties gekregen. ‘Wat een slechte film, waarom heb je daar 60.000 euro mee gewonnen?’ (lacht) Ik denk dat ze het gewoon niet begrijpen. Ze zijn opgevoed met propagandafilms. Films mogen uitsluitend positieve dingen over hun land vertellen. Doen ze dat niet, dan zijn ze sowieso slecht.

Land of the Heroes mag misschien Koerdisch gesproken zijn en ginder gefilmd zijn, het is wel degelijk een Belgische film. Een film is teamwork, en mijn team is Belgisch. De ironie, de symboliek, de suggestie. Dat is iets van hier. Heb je ooit een Arabische film gezien? Het zijn bijna allemaal praatfilms, volgepropt met dialoog. Ik hou niet van praatfilms. Te vermoeiend om te volgen. Het laat niks over aan de suggestie.

DEZE ZOMER TREKT HIJ OPNIEUW MET DE CREW VAN A Team Productions naar zijn geboortestreek in Koerdistan, voor de opnames van F.C. Baghdad, zijn laatste kortfilm voor hij aan zijn langspeler begint. ‘Prachtig land, hoor, Koerdistan’, zei Kobe Van Steenberghe van het productiehuis ons een dag eerder aan de telefoon. ‘Alleen: je kunt er al eens iets meemaken. Tijdens het draaien van Land of the Heroes sliepen we op het dak – het was veel te warm binnen. Eén nacht hoorden we ineens bombardementen een vallei verder: stellingen van de PKK die bestookt werden. Ze hadden ons gezegd dat de PKK nog ver zat van waar we aan het draaien waren. In werkelijkheid was dat maar een paar honderd meter verder.’

OMAR KALIFA: Het was niet evident om iedereen hier ervan te overtuigen mee naar daar te gaan. Mensen hebben een verkeerd beeld van Koerdistan. Het is er niet hetzelfde als in Irak: waar ik vandaan kom, is het sinds de jaren negentig en de toegenomen autonomie van de provincie relatief rustig. Het is niet Bagdad of zo. Achteraf heeft de crew me ook gelijk gegeven: de schoonste reis van hun leven, noemden ze het.

Nu, ze zijn wel een paar keer geschrokken. De crew was even locaties aan het zoeken, toen ze leden van de PKK tegenkwamen. ‘Sahim, hier staan mannen met kalasjnikovs. Kom eens vertalen.’ (lacht hard) Zij denken dan meteen aan terroristen, terwijl dat ook maar gewone mensen met een geweer zijn. Je moet het een beetje gewoon zijn ginder.

Ben jij een getraumatiseerd man?

OMAR KALIFA: Getraumatiseerd? Niet echt. Ik heb nooit iets meegemaakt.

Je hebt drie broers verloren, je ouders zijn gevlucht, je hebt voor je leven gevreesd in de laadbak van een vrachtwagen.

OMAR KALIFA: Iedereen daar heeft wel iemand in zijn familie verloren, dat is normaal. Een trauma zou ik dat niet noemen – daar was ik trouwens veel te jong voor. Ik heb wel oorlogen meegemaakt, maar dat was indirect. Het was vooral op televisie dat we daarvan beelden te zien kregen. Ik heb zelfs nooit van dichtbij een lijk gezien.

Als ik terugdenk aan Koerdistan, heb ik net heel idyllische herinneringen. Het was een fantastische streek om op te groeien, met prachtige natuur. Ik herinner me trektochten in de bergen langs de beekjes. Achtervolgd worden door een boer omdat we appels hadden gestolen. Met katapulten op vogels schieten. Dát was mijn jeugd.

Ook dat mijn ouders gevlucht zijn, kan ik geen trauma noemen. Het sociale web is veel hechter in Koerdistan. Ik ben bij mijn grootmoeder gaan wonen en alles was opgelost. Dat had trouwens nog een ander voordeel: mijn grootmoeder kon de mooiste verhalen vertellen. Zeker in de winter, als het donker was en we allemaal rond de houtkachel zaten. Ik denk dat ik daar heb geleerd hoe je een verhaal moet vertellen. Ik herinner me een prachtig verhaal over een jonge herder die verliefd was op de dochter van het dorpshoofd. Hij had het plan bedacht om haar met muziek voor zich te winnen. Hij oefende en oefende op zijn herdersfluit. Hij werd zo goed dat ze op hem verliefd werd. Waarna haar vader het haar verbood, omdat ze binnen haar sociale klasse moest trouwen. (stilte)

En dan?

OMAR KALIFA: Dat was het einde. (lacht) Koerden hebben het niet zo op happy ends.

Ik denk dat negentig procent van de verhalen die ze daar vertellen slecht eindigen. Opnieuw iets cultureels, allicht. Nu ja, het is niettemin een mooi verhaal, als je twaalf bent.

F.C. Baghdad wordt je derde film die vanuit het perspectief van kinderen verteld wordt. Geen toeval allicht, als ik je zo bezig hoor?

OMAR KALIFA: Het is zoals het mysterie van rosebud in Citizen Kane. De sleutel tot iemands leven ligt altijd in zijn kinderjaren. Het is de interessantste periode in je leven. De onschuld van kinderen is iets speciaals. Ze kijken anders naar de wereld. Iedereen hier kent wel verhalen over het Midden-Oosten van het journaal of de kranten, maar als je ze door de ogen van kinderen bekijkt, zoals in Land of the Heroes, zie je het opeens anders.

Het valt op dat de Vlaamse filmers die internationaal het meest gelauwerd zijn naar hun eigen jonge jaren teruggrijpen. Rundskop vertrekt vanuit het Sint-Truiden van Michael R. Roskam, in Adem grijpt Hans Van Nuffel terug naar zijn eigen ervaringen in ziekenhuizen.

OMAR KALIFA: Goede verhalen zijn verhalen die dicht bij jezelf liggen. Dan heb je ook meer vertrouwen in wat je vertelt. Het voelt authentieker. Als Adem door iemand anders gemaakt was, zou dat geheel niet zo kloppen. Maar het zijn wel twee regisseurs die véél meer doen dan hun eigen autobiografische verhaal vertellen. Dat is niet onbelangrijk. Ik hou niet van waargebeurde films. Waarom zou je iets waargebeurd verfilmen, als je ook fictie kunt maken?

De eigen ervaringen maken je ook sterker als regisseur. Ik kom soms studiegenoten van Sint-Lukas tegen die nog altijd aan het wachten zijn op een idee dat ze kunnen verfilmen. Dat ken ik niet. Ik heb zo veel te vertellen. Ik heb honderden ideeën in mijn hoofd voor scenario’s van langspelers.

BINNENKORT BEGINT HIJ AAN HET SCENARIO VAN één ervan, samen met Jean-Claude van Rijckeghem, scenarist van onder meer Aanrijding in Moscou en Adem. Werktitel voor wat zijn eerste langspeelfilm moet worden: Zagros. ‘Maar eerst wil ik nog een kortfilm draaien. Ik wil er honderd procent klaar voor zijn als ik aan een langspeler begin.’ Hij laat op zijn laptop een foto zien die hij op Facebook is tegengekomen. Een zwart huilend jongetje staat langs de weg en probeert wanhopig het lichaam van zijn dode vader mee te trekken. De omstanders reageren niet. Het is het beeld dat hem inspireerde tot F.C. Baghdad, vertelt hij. Een film over een jongetje dat met zijn vader naar Bagdad trekt om de televisie te laten herstellen, met de finale van de Champions League in aantocht.

OMAR KALIFA: Het moet een film over passie worden. Mensen hebben een passie nodig in hun leven. Dat helpt de dingen draaglijker te maken. Je hebt minder pijn. Je kunt je focussen op één ding, één probleem, zodat al de rest waar je mee zit aan de randen vervaagt. Voor mij was dat als kind voetbal: ik denk dat ik veel trauma’s heb afgewend door me daarop te concentreren.

Ik heb ooit een fantastische quote gelezen van Dostojevski. Zijn hele vermogen had hij verbrast aan de roulettetafel, maar daar heeft hij geen seconde spijt van gehad. ‘Als ik aan het gokken was, waren dat de gelukkigste momenten van mijn leven.’ Iedereen heeft zoiets nodig – maar je leven is wel een stuk simpeler als je niet gokt, maar gewoon voetbalt. (lacht)

Is cinema nu jouw passie om de dingen draaglijker te maken?

OMAR KALIFA: Het is niet dat mijn leven nog draaglijker moet worden. Ik ben geen kind meer. Maar het is wel iets dat me gelukkiger maakt. Cinema geeft me meer hoop in mijn leven.

Je broers zijn na de val van het Saddamregime teruggekeerd naar Koerdistan. Is het de film die jou hier houdt?

OMAR KALIFA: Deels wel, ja. In 2009 ben ik even teruggekeerd om te kijken hoe de situatie er was. De economie is helemaal opgeleefd. Er is werk, meer mensen gaan studeren. Maar de filmindustrie stelt er nog altijd niks voor. Daar kan ik geen goede films maken.

Maar het is meer dan dat. Mijn kinderen zijn hier geboren, mijn vrouw wil hier werken. Het is beter voor onze toekomst om hier te blijven. Vergis je niet: in Koerdistan zou ik opnieuw moeten integreren. Ik ben niet bereid om nog eens opnieuw te beginnen. Weet je wat het is? Ik ben een Belg geworden. Misschien geen stoofvlees-met-frietjes-Belg, maar wel een Belg. Dit is het land dat me opgevangen heeft en me geholpen heeft om mijn droom te bereiken: daar ben ik bijzonder dankbaar om.

NOG ÉÉN DING WIL IK WETEN. ‘ALS IK DE TOCHT zou moeten overdoen, zou ik ginder blijven’, zei hij in dat allereerste krantenartikel, in 2001. Denkt hij er nog altijd zo over?

‘Ik weet het niet. Het was een verschrikkelijke reis. Ik heb dagen voor mijn leven gevreesd. Maar ik ben er wel een filmmaker door kunnen worden. En dat is toch net iets mooier dan boekhouder.’

VOLGENDE WEEK : Charlotte De Bruyne

DOOR GEERT ZAGERS – FOTO’S ATHOS BUREZ

‘DUITSLAND-ENGELAND OP HET EK VAN 1996 HEB IK ALLICHT ZESTIG KEER GEZIEN. ÉÉN KEER KIJKEN IS GEEN KEER. PRECIES ZOALS MET CINEMA.’

‘DE CREW IS IN KOERDISTAN WEL EEN PAAR KEER GESCHROKKEN: SAHIM, HIER STAAN MANNEN MET KALASJNIKOVS. KOM EENS VERTALEN.’

‘IK GETRAUMATISEERD? NIET ECHT. DE OORLOGEN GINDER ZAG IK VOORAL OP TV. ACHTERVOLGD WORDEN DOOR EEN BOER, MET KATAPULTEN OP VOGELS SCHIETEN: DAT WAS MIJN JEUGD.’

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content