Nu in Netflix
...

Nu in Netflix Vijf weken geleden zorgde Bong Joon-ho's sciencefictionsatire Okja tijdens het filmfestival van Cannes nog voor twee primeurs tegelijk. Niet alleen was het de eerste film over een genetisch gemanipuleerd reuzenvarken die kans maakte op de Gouden Palm, het was ook de eerste competitiefilm in de zeventigjarige geschiedenis van het festival die niet voor de zalen was bedoeld. En dat met dank aan producent Netflix, die daarmee niet enkel boze Franse bioscoopuitbaters maar zo ongeveer elke cinefiel van de traditionele lijn over zich heen kreeg. Helaas is daarmee het voornaamste meteen gezegd, want een prijsbeest is Okja, dat in Cannes ondanks alle heisa naast het palmares greep, in geen geval. De Zuid- Koreaanse rasfilmer doet namelijk wat hij in voorgangers The Host (2006) en Snowpiercer (2013) ook al deed: dystopische actie mengen met sociale satire. Maar dan zonder de jus die we van hem gewoon zijn. Dit keer moeten de vleesindustrie en corporate America eraan geloven in een nabijetoekomstvisioen over een multinational die ecologisch verantwoorde supervarkens kweekt. Tilda Swinton is de gesjeesde ceo van dienst, Jake Gyllenhaal de opgefokte zoöloog die het kweekprogramma presenteert op tv, en Paul Dano de fanatieke leider van het Animal Liberation Front, dat het louter op profijt beluste bedrijf wil ontmaskeren. Maar de echte vedetten zijn Okja, het uit bits en bytes opgetrokken reuzenvarken dat het pronkstuk van de hele opzet moet worden, en Mija, het meisje dat zich al sinds Okja's conceptie liefdevol over het dier ontfermt. Was The Host een zwierig geregisseerde, even slimme als geestige en bij momenten zelfs aandoenlijke mix van spielbergiaanse monsteractie en bijtende ecosatire, dan is de metafoor van Okja zo log en vadsig als het digitale beest zelf. Al van in de proloog - een promospot voor het bedrijf waarin Swinton heerlijk over the top gaat als een hedendaagse Cruella De Vil - trekt Bong de cartooneske kaart. Dat levert af en toe een geïnspireerde gag op, maar al even vaak slappe kolder, met voorop een pijnlijk ongrappige Jake Gyllenhaal die de Groucho Marx in zichzelf voelt opwellen, maar over de komische timing van Bobby de Niro blijkt te beschikken. Bong is het niet helemáál kwijt. Hij weet nog altijd hoe je een actiesequens moet regisseren, wat af en toe de polsslag de hoogte injaagt. En met dank aan topcameraman Darius Khondji is de film een delicatesse om naar te kijken. Dat maakt het extra ironisch dat hij als Netflix Original enkel op tv-schermen en laptops is te zien. Alleen hangt alles met haken en ogen aaneen en lijkt Bongs genrehybride ontsproten aan de fantasie van een vijftienjarige vegetariër die te veel sf-pulp heeft verslonden en constant tussen The Hudsucker Proxy, The Island of Dr. Moreau, Gattaca en Babe zit te zappen. Veel zwijn, weinig paarlen, om in het jargon te blijven. Dave Mestdach