Eerste zin Het onschuldige vlammetje dat op het kopje danste van de tweede lucifer die Jona Van Rein had afgestreken, was opgerezen tot een woeste zee van torenhoge vuurtongen die met zichtbaar plezier de eikenhouten vloer en houten muren, de boekenkast, de bamboeladder ertegen en de vleugelpiano met erop de ingelijste foto en erboven het abstracte schilderij verslonden.
...

Eerste zin Het onschuldige vlammetje dat op het kopje danste van de tweede lucifer die Jona Van Rein had afgestreken, was opgerezen tot een woeste zee van torenhoge vuurtongen die met zichtbaar plezier de eikenhouten vloer en houten muren, de boekenkast, de bamboeladder ertegen en de vleugelpiano met erop de ingelijste foto en erboven het abstracte schilderij verslonden. Jona is dertien wanneer hij het huis waar hij samen met zijn vader woont in brand steekt. Dat hij onophoudelijk slaag krijgt van de man zal er wel iets mee te maken hebben, maar het is ook een vrouwenkwestie, een meervoudige zelfs. Hij hoopt zo niet alleen zijn moeder, die zes jaar eerder met een vriendin naar Amerika is vertrokken, terug naar haar gezin te lokken, het is ook een wanhoopsdaad, omdat de lerares biologie met wie hij dolgraag als een vuurmier een huwelijksvlucht had gemaakt eveneens naar dat land is geëmigreerd. Aan zijn escapade houdt Jona zware brandwonden over, waardoor hij voor de rest van zijn leven een masker zal moeten dragen. 'Alleen zijn oppervlakte werd beschadigd, niet zijn ziel', schrijft Bart Koubaa. Wat volgt, is een verhaal opgehangen aan een aantal heel specifieke voorwerpen, zoals het Vrijheidsbeeldje dat Jona als kind tevergeefs uit een grijpkraam op de kermis probeerde te halen, het boek over Michael Strogoff waaruit zijn moeder hem voorlas toen hij in het ziekenhuis lag, de maïs die achter het ouderlijke huis groeide, en de vlam, van de lucifer natuurlijk, maar ook van het Vrijheidsbeeld en uiteindelijk ook van de olympische fakkel. Want ondanks alles zal Jona het tot op de Olympische Spelen van Atlanta schoppen. De voornaamste verantwoordelijke daarvoor blijkt zijn oude leraar Latijn te zijn - 'de doedelzak', zoals iedereen hem noemde - die hem in tegenstelling tot zijn vader wel naar waarde wist te schatten en hem met de klassieken in aanraking bracht, zoals Seneca, die schreef dat in ieder goed mens een god woont van wie wij de aard niet kennen. Koubaa is een rasverteller die zijn lyrisch kunnen wel eens ondergeschikt durft te maken aan zijn hang naar literair spel. Zo ook in Ninja Nero, waarin gealludeerd en gesymboliseerd wordt tot je het als lezer niet leuk meer vindt. Een gedisciplineerder gedachtegang en een strakkere regie hadden deze roman geen kwaad gedaan.