You know they call my girl the Snake Charmer
...

You know they call my girl the Snake Charmer Here she comes rising with the yellow dawn (Worm Tamer, uit Grinderman 2) Colombia Halle, Berlijn, 2010. Mijn verloofde staat zo wild tegen de balustrade van het balkon aan te dansen tot een van de veiligheidsmensen langskomt en haar vriendelijk aanmaant iets achteruit te gaan. Ze glimlacht hem begripvol toe, wacht tot hij het hoekje om is en kleeft dan direct weer tegen de reling. Twee verdiepingen lager kolkt een opgezweepte mensenmassa. De geur van bier, weed maar vooral zweet stijgt op uit het publiek; het is broeierig heet in de volkshal. Op het podium: pure seks. Anders kun je het niet omschrijven. Vuige, rauwe seks. Zo intens en hitsig is Nick Cave met zijn garageband Grinderman. Waar andere mannen een Harley kopen of hun vrouw inruilen voor een jonger en dommer exemplaar, hakt Cave de midlifecrisisdraak de kop af door zijn piano aan de kant te schuiven, een gitaar om te gorden en drie Bad Seeds te rekruteren om met zoveel energie loeiharde bluesrock te spelen dat menig aanstormend punkbandje erbij verbleekt. I'm a bad motherfucker, don't you know And I'll crawl over fifty good pussies just to get one fat boy's asshole (Stagger Lee, uit Murder Ballads) Niet dat Cave met zijn voltallige Bad Seeds muziek voor doetjes brengt. De eerste keer dat ik hen aan het werk zag, moet op Rock Torhout geweest zijn, in 1998. Muziek moest je nog op cd kopen, er bestond iets als oranje telefoonkaarten, sigaretten werden op de festivalweide aangeboden door Belga Fire-babes, betalen deed je nog in franken. Nick Cave zag er magerder uit, bleker ook, maar bovenal gevaarlijk. Er ging iets bezwerends van hem uit, alsof demonen duchtig huis hielden in dat skelettenlijf en schreeuwen over dood en verderf de enige manier was om ze het zwijgen op te leggen. Op een bepaald moment greep Cave een meisje op de eerste rij bij de keel en brulde in haar gezicht dat hij Stagger Lee was, en dat haar laatste uur geslagen had. Twee nummers later wiegde hij zachtjes tegen Blixa Bargeld aan en zongen ze samen de ultieme meisjeskamerhit Where the Wild Roses Grow, waarbij Bargeld de zangpartijen van Kylie Minogue voor zijn rekening nam. In een oogwenk van gewelddadige southern gothic naar een zeemzoete liefdesballade met een angel, dat is de handtekening van Nick Cave. I married my wife on the day of the eclipse Our friends awarded her courage with gifts (The Sorrowful Wife, uit No More Shall We Part) Aanschouw een uitstervend ritueel in digitale tijden: als Nick Cave een album uitbrengt, dan wacht ik netjes tot het in de platenzaak ligt, koop meteen de luxeversie, neem een dag vrijaf en ga naar huis om die plaat te beluisteren. Met het tekstboekje op mijn schoot en een speciaal opgespaarde fles bordeaux bij de hand. Aandoenlijk, akkoord, maar als er een iets is waar Cave in uitblinkt dan is het wel songteksten schrijven. Cave schaaft en schrapt en plakt dan ook danig aan zijn lyrics - letterlijk, zijn notitieboekjes hangen van Tippex en alcoholstift aaneen - en ondanks de meer dan 300 songs op zijn conto, slaat de wanhoop bij elk wit blad opnieuw toe: 'Alsof je een watermeloen heelhuids door het oog van een naald moet krijgen, zo slopend is het.' Al dat labeur rendeert: Cave behoort samen met Bob Dylan en Leonard Cohen tot de meest literaire songschrijvers ooit. Net als Hugo Claus weet hij meesterlijk het hoge en het lage, het hemelse en het banale te combineren - Cave citeert met gemak John Milton en W.H. Auden, maar kan het evengoed over de bloemen in de tuin of een wandeling door Londen hebben. Zijn teksten zijn echter nooit vrijblijvend; een sneeuwlandschap blijkt een cokehel waarin elke junkie vecht voor zijn lijn (Fifteen Feet of Pure White Snow) en een huwelijkshymne draagt de titel The Sorrowful Wife. Vrolijk zal Cave nooit klinken, maar toch kan hij, en daar wordt vaak overheen gelezen, bijzonder grappig uit de hoek komen, toch als wrange zelfspot je ding is. Cave lezen loont: net als bij de beste poëzie kom je sporadisch een regel tegen die je knock-out slaat. Uit Jubilee Street: 'I am a foetus eating dark oxygen.'Literatuur was Caves eerste liefde. Zijn vader, een brave bibliothecaris, voedde hem op zijn twaalfde al Lolita van Nabokov en de letteren hebben hem nooit verlaten. 'Ik beschouw mezelf als een schrijver - rock-'n-roll staat daar ver van af. Elke dag vertrek ik naar kantoor - zo noem ik het - en daar staat een piano, een schrijftafel en een sofa. Het meeste werk gebeurt aan die tafel.' Een roman kon dan ook niet uitblijven. Zijn eerste, En de ezelin zag de engel (1989), pende hij tijdens zijn Berlijnse periode. Drie jaar deed hij erover en het resultaat komt protserig over, alsof hij zichzelf per se wilde bewijzen als literair auteur. Barok taalgebruik, een intriest verhaal over een stomme jongen die door iedereen gehaat en gepest wordt en van de weeromstuit bezocht wordt door duivelse visioenen en zoveel Bijbelse referenties dat zelfs Rik Torfs er nederig van wordt. Zelf noemde hij de roman meermaals 'unreadable', iets wat Cave ruimschoots goedmaakte met De dood van Bunny Munro (2009), een hilarisch portret van een seksverslaafde handelsreiziger die noodgedwongen zijn zoontje meeneemt op roadtrip langs de lelijkste stadjes van Engeland. Deze keer vergde het slechts drie maanden op de achterbank van een tourbus, en noemde Cave romanschrijven een 'aangenaam tussendoortje', zo eentje van het type waar menig aspirant een vinger voor zou inruilen. Bukowski was a jerk! Berryman was best! He wrote like wet papier-mâché, went the Heming-way weirdly on wings and with maximum pain We call upon the author to explain! (We Call upon the Author, uit Dig! Lazarus! Dig!) Naast die twee romans, een bundeling van zijn songteksten en - we gekscheren niet - een inleiding bij het Marcus-evangelie, schreef Cave ook meerdere scenario's. Zijn eerste, een grimmig gevangenisdrama, dateert al uit 1989: Ghosts of the Civil Dead, tegelijk de eerste keer dat hij samenwerkte met kompaan John Hillcoat, een Australische regisseur die later bekend zou worden met de verfilming van Cormac McCarthy's The Road. Hillcoat en Cave werkten in 2005 opnieuw samen, met The Proposition als resultaat. Het scenario is typisch Cave: een donkere antiwestern over verraad, broedermoord en wetteloosheid die zich afspeelt aan de rand van de woestijn, ver weg van alle beschaving. Vorig jaar kwam Lawless in de zalen, qua thematiek helaas te nauw verwant aan The Proposition; op de setting na, Virginia tijdens de drooglegging, krijgen we opnieuw het verhaal van een paar brothers in crime die het opnemen tegen een overijverige wetsdienaar. Van de broeierige sfeer die The Proposition zo interessant maakte, blijft in Lawless weinig over - soms krijg je zelfs de indruk dat de tweede film een parodie is op de eerste. Toch blijft Cave flirten met het filmmedium, een aantal keer zelfs als acteur. Hij dook op in films van Wim Wenders en recenter nog speelde hij een bard in The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford (2007), maar een natuurtalent is Cave niet, iets wat hij terdege beseft: 'Dat ik toehap, heeft vooral met ego te maken. I'm not very good at it.' In tegenstelling tot rockacteurs als Tom Waits of Juliette Lewis valt Cave nooit samen met zijn personage. Het hé-daar-heb-je-Nick-Cave-gevoel verdwijnt nooit, ondanks de schmink, de lompen en het hoedje. Zijn cameo in Jesse James was dan ook eerder storend; zijn ironiserende aanwezigheid dreigde zelfs even de unheimliche sfeer van de film onderuit te halen. Pluspunt aan al die filmavonturen: Cave levert ook telkens de soundtrack aan en die is vaak wel het beluisteren waard, niet het minst omdat Warren Ellis hem bijstaat. Everything's dissolving, babe, according to plan The sky is on fire, the dead are heaped across the land I went to bed last night and my moral code got jammed I woke up this morning with a frappuccino in my hand (Abattoir Blues, uit Abattoir Blues / The Lyre of Orpheus) Want Nick Cave mag dan wel een controlefreak zijn en over een gezond ego beschikken, hij heeft nood aan een sparringpartner, een vinnige wederhelft die hem uitdaagt. Jarenlang werd die positie ingenomen door Blixa Bargeld, die pendelde tussen zijn geluidscollectief Einstürzende Neubauten en de Bad Seeds, waar hij de gitaar voor zijn rekening nam. Niet dat hij zo goed gitaar kan spelen; voor Bargeld was het instrument op zich al een experiment, een afwisseling van de drilboren en zelfgebouwde machines die de Neubauten kenmerken. Zijn ontregelende invloed op de klank van de Bad Seeds mag niet onderschat worden en na zijn vertrek dreigde een gapend gat. De eerste Cave-plaat zonder Blixa - Abattoir Blues / The Lyre of Orpheus, meteen een dubbelaar - klinkt dan ook bijzonder gepolijst: gospelkoren, een barstensvolle productie en een algemene opgewektheid zowaar. Geen slechte plaat, verre van, maar toch een buitenbeentje in de catalogus, alsof de overblijvende leden zich deels bevrijd wisten van Bargeld, en anderzijds luider moesten spelen om zijn afwezigheid te overstemmen. De leemte die Bargeld achterliet, wordt de laatste jaren nadrukkelijker opgevuld door Warren Ellis, die zich ontpopt heeft tot een duivelse kobold. Ooit vaste violist, nu multi-instrumentalist die ook een grote rol speelde in het ontstaan van Grinderman. Ellis heeft de Bad Seeds weer van gruizigheid voorzien, van dreiging ook, en hij blijkt live een helse meerwaarde. En hij kan Cave van het nodige weerwerk voorzien, iets wat pas opvalt als je Cave buiten de Bad Seeds aan het werk hoort. Zo is hij uitermate ongeschikt voor gastoptredens. Neem het duet met zijn grote held en inspirator Johnny Cash tijdens de American Recordings-sessies: niet het verhoopte vuurwerk. Of zijn interpretaties van held nummer twee, Leonard Cohen: goedbedoeld, maar ze overtreffen nooit het origineel, zeker niet als je bedenkt wat Jeff Buckley ooit presteerde. De rol van brave aangever ligt Cave niet; zet hem op de achtergrond en hij kwijnt weg. Ah, well here comes Lucifer with his canon law And a hundred black babies running from his genocidal jaw He got the real killer groove (Higgs Boson Blues, uit Push the Sky Away) Omringd door zijn Bad Seeds is Nick Cave dus op zijn best, en al voor het verschijnen van de nieuwe plaat Push the Sky Away werd er met superlatieven gegooid: dit zou de beste Cave ooit worden. Dergelijke promopraat dient misschien om de media-allergie van Nick Cave op te vangen; hoe langer hoe meer beschouwt hij interviews als pure tijdverspilling en als het hem niet zint, kan hij een vervelende gesprekspartner zijn. Anderzijds, wie kan hem ongelijk geven? Push the Sky Away spreekt voor zich. Na de eerste luisterbeurten doemen de eerste pareltjes op. Jubilee Street, de tweede single, groeit gestaag uit tot een klassieker, en blijkbaar bleef het nummer Cave achtervolgen, want iets verder op de plaat staat Finishing Jubilee Street, waarin hij in een verbaasde parlando reflecteert over zijn eigen creatie. Nog een hoogtepunt is Higgs Boson Blues. Wat schijnbaar begint als een lynchiaanse roadtrip richting Genève compleet met brandende bomen en raaskallende predikanten, blijkt een zoektocht naar God, of toch het godsdeeltje dat in de deeltjesversneller werd opgewekt. En waar God vertoeft, daar duikt de duivel op - Cave slaagt er telkens in zijn donkere thematiek in een modern jasje te steken. Push the Sky Away heeft nog wat tijd nodig - elke nieuwe Cave is een groeiplaat, instantplezier is niet zijn handelsmerk - maar heeft alles in zich om zich bij de beste Bad Seeds te nestelen, en dat zijn er ondertussen al wat. Want elke nieuwe Nick Cave houdt één groot nadeel in: je wilt meteen zijn hele oeuvre herbeluisteren, om te zien waar hij bij past, om de teksten opnieuw te horen, om gewoon weer in dat universum te gedijen en hunkerend uit te kijken naar een nieuw optreden. Want er is altijd ergens wel een reling die geliefkoosd wil worden door vrouwenlendenen. PUSH THE SKY AWAY Uit op 18/2 bij Kobalt / PIAS. DOOR RODERIK SIX