Jeo en Mikal zijn jonge, idealistische Pakistani's. Hoe moeilijk was het om je als Pakistaans-Britse schrijver van middelbare leeftijd in hun leefwereld in te leven?

NADEEM ASLAM: Toen ik twintig jaar geleden begon te schrijven, was ik 23. Alle personages in mijn debuut waren van middelbare leeftijd. Dat was ook zo in de twee romans die daarop volgden. Pas nu ik zelf halverwege de veertig ben, heb ik genoeg zelfvertrouwen om over jonge mensen te schrijven. In de wereld van vandaag onderschatten we hun pijn en verdriet. We leren hen over liefde, medelijden, idealisme, en als die mensen dan de wereld instappen, worden ze vooral geconfronteerd met ...

NADEEM ASLAM: Toen ik twintig jaar geleden begon te schrijven, was ik 23. Alle personages in mijn debuut waren van middelbare leeftijd. Dat was ook zo in de twee romans die daarop volgden. Pas nu ik zelf halverwege de veertig ben, heb ik genoeg zelfvertrouwen om over jonge mensen te schrijven. In de wereld van vandaag onderschatten we hun pijn en verdriet. We leren hen over liefde, medelijden, idealisme, en als die mensen dan de wereld instappen, worden ze vooral geconfronteerd met corruptie en leugens. 'Natuurlijk mag je liegen. Wie weet, word je er nog flink voor beloond ook.' De clash tussen idealisme en corruptie wilde ik in deze roman vatten. Over dat gevecht dat jonge mensen ervaren, kon ik niet schrijven toen ik er zelf als twintigjarige middenin zat. ASLAM: Mijn moeder is diepgelovig; mijn vader een goddeloze communist. Ik heb de ratio van mijn vader geërfd, maar het spirituele van mijn moeder. Beide invloeden vind je terug in De tuin van de blinde. Jeo en Mikal zijn afsplitsingen van mijn eigen persoonlijkheid. Mijn moeder bidt vijf keer per dag en is er rotsvast van overtuigd dat Jona in de buik van de walvis zat, Adam en Eva hebben écht bestaan. Ze leeft in de vaste overtuiging dat ze na haar dood ooit uit de aarde getrokken zal worden om voor haar god te verschijnen. Mijn vader vindt dat allemaal sprookjes en metaforen. Ik ben zelf net als hij ongelovig, maar de manier waarop ik met andere mensen omga, hoe ik hen groet, hoe ik voor hen zorg, is me geleerd door mijn moeder. Zij leerde me wat compassie is. Zij leerde me dat je door het goede te doen ook het goede bereikt, en dat je door het slechte te doen, het slechte zult vinden. ASLAM: Door inderdaad zelf blind te worden. (lacht) Ik heb drie weken lang mijn ogen afgeplakt om te ervaren hoe het is om blind te zijn. Ik heb toen verrassende ontdekkingen gedaan. Zo verbrandde ik op een dag mijn hand aan een hete kop koffie en het zwart voor mijn ogen veranderde in rood. Daarom zegt de blinde Rohan op een bepaald moment: 'Als je wilt weten hoe de kleur rood er ook alweer uitzag, kun je het beste iets warms aanraken.' Op een zwoele avond hoorde ik de regen, ik liep naar het raam, stak mijn hand uit en het eerste gevoel dat die regendruppels op mijn handpalm opriepen, was de twinkeling van sterren. Daarom ook zegt Rohan: 'En de sterren met hun getwinkel. Dat breng ik mij te binnen door de palm van mijn hand in de regen te houden.' (J.S.)