DE FRANSE JAMES DEAN

HET PERSONAGE: MICHEL POICCARD
...

HET PERSONAGE: MICHEL POICCARD DE FILM: A BOUT DE SOUFFLE JEAN-LUC GODARD, MET JEAN SEBERG (1960) DE PLOT: Autodief Michel doodt een agent en zoekt onderdak bij de Amerikaanse Patricia. Mecanicien, of misschien ambtenaar. Dat zag de Franse acteur André Brunot begin jaren vijftig in de jongste zoon van zijn goede vriend en beeldhouwer Paul Belmondo. Hij gaf geen cent voor de acteercarrière van Jean-Paul. En hij wist ook precies waar het de zeventienjarige jongen aan ontbrak: ernst, ernst en ernst. Minder dan twintig jaar later zou Jean-Paul Belmondo precies bij gebrek aan ernst tot het icoon van de nouvelle vague uitgroeien. 'Hij heeft iets beestachtigs', omschreef regisseur en peetvader van de nouvelle vague, Jean-Luc Godart, hem. Zelf vond Belmondo dat Godart vooral een filmjournalist was die zoals veel filmjournalisten de film veel te ernstig nam. Dat film kunst was, daar moest je Belmondo nog van overtuigen. Na de kortfilm Charlotte et son Jules (1960) had Godard hem gezegd: 'Als ik voldoende geld vind voor een langspeelfilm, dan wil ik dat jij erin meespeelt.' Belmondo zei enthousiast ja, maar geloofde niet dat er iemand zo gek was geld te geven voor de fantasieën van Godard. Maar op 16 augustus 1959 wachtten Godard en de wondermooie Jean Seberg Belmondo op op het terras van café Français op de Champs-Elysées. 'Bestel een demi', zei Godard. 'Ga naar de wc en vertrek daarna zonder te betalen.' Het was het begin van A bout de souffle. Er was geen scenario. Enkel ideeën. Een liefdesgeschiedenis. Een moord. Een autodiefstal. Godard filmde zijn acteurs tussen de onverschillig kijkende mensen op de Champs-Elysées, aan een telefooncel, van achter de stoelen op een terras. Hij greep het moment bij de kraag. 'Ik dacht niet dat die film ooit zou uitkomen', aldus Belmondo. Hij kon zich niet voorstellen dat Godard uit de snippers en flarden een bevattelijke en vooral boeiende film kon maken. Wat bleek: het ongerijmde, lichtjes subversieve en ontspoorde karakter van A bout de souffle was Belmondo op het lijf geschreven. Hij werd de James Dean van Frankrijk. Het idool van de verloren generatie. Niet dat Belmondo dat een moment had nagestreefd of geforceerd. Hij hield van het instinctmatige filmen van Godard, van de vrijheidsdrang die eruit sprak. Het was ook zijn vrijheidsdrang. Als hij kon kiezen tussen artistiek bezig zijn en een groot publiek bereiken, dan ging zijn voorkeur toch uit naar het tweede. HET PERSONAGE: ADRIEN DUFOURQUET DE FILM: L'HOMME DE RIO PHILIPPE DE BROCA (1963) DE PLOT: Soldaat Adrien probeert zijn vriendin én twee historische beeldjes van een boevenbende te redden. Belmondo werd acteur omdat hij geen bokser kon worden. Hij miste de aangeboren woede om het als bokser te maken; met een beeldhouwer als vader en een amateurschilderes als moeder, was hij te veel de jongen uit het artistieke burgerlijke milieu van Parijs en te weinig de straatjongen die hij imiteerde te zijn. 'Ik verdraag geen fysieke pijn', zei hij daar zelf over. 'Ik ben acteur geworden bij gebrek aan uitgesproken talent.' Stuntman was een andere mogelijkheid. Als kind liet hij zich met een uitzonderlijk gevoel voor zelfoverschatting al aan de spijlen van het balkon op de vijfde verdieping van de ouderlijke woonst bengelen of sprong hij op diezelfde vijfde verdieping van het ene venster naar het andere. Voor de lol. Na zijn ontmoeting met regisseur Philippe de Broca - die Truffaut omschreef als de Tex Avery van de Franse film - begon hij zijn kinderstunts uit te buiten als acteur. Om precies dezelfde reden. Voor de lol. 'Ben je waanzinnig', schreeuwde producent Alexandre Mnouchkine toen Belmondo in L'Homme de Rio zelf van het ene gebouw naar het andere sprong. 'We betalen daar iemand voor om dat te doen.' Die iemand was Gil Delamare. Drie jaar later, in 1966, zou hij om het leven komen tijdens een stunt met een cabriolet. Vanaf L'Homme de Rio, een film die vooral draaide op adrenaline, stunts en achtervolgingen, gebruikte Belmondo enkel een stuntman als het niet anders kon. 'Je moest hem voortdurend afremmen', zou Remy Julienne tijdens de opnames van Ho! (1968) vertellen. Na de dood van Delamare, was het Julienne die de stunts van Belmondo tot op de seconde en millimeter synchroniseerde en uittekende. Al dan niet met De Broca als regisseur sprong Belmondo van wagon naar wagon op het dak van een rijdende metro ( Peur sur la ville, 1975), voerde hij een spectaculaire auto-achtervolging uit in de straten van Athene ( Le casse, 1971) en klom hij op het dak van een vliegtuig ( L'Animal, 1977). Daarover vertelde hij: 'Het was het mooiste wat ik ooit heb gedaan. Rondom heerste een vreemde mengeling van ruisende stilte en oorverdovend geluid. Ik ben 44 en mijn ultieme kinderdroom is uitgekomen. Het is heerlijk een ster te zijn.' 'Il a retourné sa veste', schamperde Godard begin jaren tachtig toen hij Belmondo vooral het grote kind zag spelen. Ook een deel van de Franse pers verweet hem dat hij de Franse film ten gronde richtte. Omdat hij te veel koketteerde met de flauwe Amerikaanse afkooksels waarin hij zo vaak de lollige spierbundel was. 'De artiest', antwoordde Belmondo daarop, 'is mijn vader. Altijd geweest.' Zijn vader stierf op oudejaarsnacht 1981. Hij was de eerste dode die Belmondo te betreuren had. Later zouden zijn moeder en dochter volgen. HET PERSONAGE: ARTHUR LEMPEREUR DE FILM: LES TRIBULATIONS D'UN CHINOIS EN CHINE P. DE BROCA, MET URSULA ANDRESS (1965) DE PLOT: De verveelde miljardair Arthur maakt met een select gezelschap een reis rond de wereld. Sommige films zijn gedenkwaardiger om wat er om en rond de set gebeurde dan om wat er uiteindelijk op het scherm te zien is. Na het succes van L'Homme de Rio dachten De Broca en Belmondo eraan iets gelijkaardigs te doen, maar dan verder, beter, groter en spectaculairder. De Broca stelde een zeer vrije interpretatie en adaptatie voor van een roman van Jules Verne: Les tribulations d'un Chinois en Chine. 'Ik dacht,' vertelde De Broca later, 'ik neem de meest charmante acteur van het moment, het mooiste meisje van de wereld en een verhaal vol grappen, grollen, actie en uitzinnige avonturen.' Het was 1964, Belmondo was tien jaar getrouwd met jeugdliefde Elodie Constantin en hij vertrok voor de opnames van Les tribulations naar het paradijselijke eiland Langkawi. Aan zijn zijde: Ursula Andress, de vrouw die de Venus van Botticelli deed verbleken toen ze in de eerste Bondfilm uit de golven op het land stapte. De Broca droomde van een totaal ongetemde film, tegen een gekmakend tempo, waarin de ene stunt de andere opvolgde. 'Iedere drie minuten wil ik een stunt', zei hij. De film was een flop, maar de meest charmante acteur van het moment en het mooiste meisje van de wereld beleefden paradijselijke dagen op hun hagelwitte strand en vormden het meest besproken koppel van het universum. 'Hij was mijn grote gekte, mijn passie', zou Andress over Belmondo verklaren. Zijn huwelijk werd getorpedeerd met de kracht van een orkaan. Zeven jaar zouden ze samenblijven. 'Dolle jaren', volgens Andress. Net als met de meeste grote Franse naoorlogse regisseurs - van Jean-Pierre Melville over Alain Resnais tot Louis Malle - werkte Belmondo samen met de grootste en mooiste actrices uit die periode, inclusief Jeanne Moreau, Sophia Loren en Gina Lollobrigida. Allemaal waren ze in de wolken over Belmondo. Omdat hij zo grappig is (Loren), omdat hij de jongen in zichzelf nooit is verloren (Lollobrigida), omdat er zo weinig verschil is tussen wie je ziet en wie hij is (Moreau). Belmondo wisselde ongeveer om de zeven, acht tot tien jaar van vrouw. Maar verder was hij bovenmenselijk trouw.HET PERSONAGE: FRANÇOIS CAPELLA DE FILM: BORSALINO JACQUES DERAY, MET ALAIN DELON (1970) DE PLOT: Buddy's Capella en Siffredi trachten een eigen misdaadimperium op te bouwen. 'Belmondo? Charmant, grappig, lief, complexloos. Delon? Dat is iets anders. Hij is een jonge, hongerige wolf, kortom: gevaarlijk en hij richt overal ravages aan', schrijft de Franse actrice Mylène Demongeot in haar memoires. Ze speelde met beide acteurs in hun eerste samenwerking, Sois belle et tais-toi (1958), een politiekomedie van Marc Allégret. Niets wees erop dat Belmondo en Delon nadien nog iets met elkaar te maken zouden hebben. Ze waren uit te verschillend hout geschaafd. Geen artistiek burgermilieu voor Delon. Geen degelijke acteeropleiding. Hij groeide op als de ongewilde zoon van gescheiden ouders, verhuisde van pleeggezin naar internaat en speelde als kind in de sinistere schaduw van een gevangenis. Zodra hij kon, was hij weg. Naar de echte hel: de oorlog in Indochina. Ter vergelijking: de legerervaring van Belmondo speelde zich voornamelijk in het ziekenhuis af. De eerste keer met een gebroken neus en de laatste keer door een ongelukkige val. De tegenstelling in afkomst kleurde de tegenstelling als acteurs in. Delon was de koelbloedige schurk, Belmondo de boef van het komische type. Zo ook in Borsalino. Het idee voor de film kwam van Delon. Tijdens het draaien van La piscine (1969) met zijn geliefde van toen, Romy Schneider, liet hij terloops aan regisseur Jacques Deray weten dat hij een fascinatie koesterde voor het gangstermilieu van Marseille in de jaren dertig, en dan vooral voor twee criminelen: Carbone en Spirito. Als hun strapatsen ooit verfilmd werden, dan wilde Delon erbij zijn. Het liefst als Spirito. 'En Carbone?', vroeg Deray. Het is niet geweten of Delon lang nadacht. 'Belmondo.' Het was een antwoord uit koele berekening, meer dan uit sympathie. Het waren de jaren van de grote doorbraak van Belmondo. Belmondo en Delon - dacht de zakenman in Delon - dat is bingo. Echt magie was het niet tussen de twee. Terwijl Delon zich voor een opname het liefst in meditatieve zelfkastijding terugtrok, vertelde Belmondo nog snel een vette mop voor een ernstige scène. Magie was er al helemaal niet na de opnames. Belmondo was woest omdat de naam van Delon twee keer op de affiche stond - hij was ook producent - en stuurde niet eens zijn kat naar de première. Het zou tot 1998 en het vehikel Une chance sur deux van Patrice Leconte duren voor ze nog eens samen speelden. Deze keer beiden als mogelijke vader van Vanessa Paradis. Opgroeien in de openbaarheid is pijnlijk. Ouder worden ook. HET PERSONAGE: SAM LION DE FILM: ITINÉRAIRE D'UN ENFANT GÂTÉCLAUDE LELOUCHE (1988) DE PLOT: Voormalig circusartiest en bedrijfsleider Sam wil een nieuw leven beginnen. Hoe lang kan een man op geloofwaardige wijze een actieve spierbundel spelen zonder helemaal lachwekkend te worden? Belmondo heeft de grenzen van het antwoord op die vraag afgetast. In de jaren tachtig huppelde hij van komedie over actiefilm naar komedie tot actiefilm. Hij had niets meer te bewijzen, niets meer te winnen en niets meer te verliezen - hoewel -, maar stoppen kon hij ook niet. Claude Lelouche, een andere erfgenaam van de nouvelle vague, die ooit met Annie Girardot en Belmondo Un homme qui me plaît (1969) draaide, gaf hem nog eens een rol om te koesteren. Sam Lion, een vijfenvijftigjarige zakenman die huis en goed achterlaat om eeuwige rust te vinden op zijn zeilboot. Lelouche stelde het Belmondo voor na een voorstelling van Kean, Jean-Paul Sartres toneelstuk over een ouder wordende acteur. In de jaren dat film veeleer sleur dan prikkel was geworden, had Belmondo opnieuw het theater opgezocht. Zijn grote droom was Cyrano de Bergerac spelen, maar die was al ingenomen. Dus werd het Kean. 'We filmen in alle hoeken van de wereld', daarmee zou Lelouche Belmondo overtuigd hebben. Al is het niet eens zo moeilijk te geloven dat Belmondo misschien gewoon blij was met een rol die hem fysiek niet tot het knappen van de spieren dreef en hem mentaal niet ouder dan een puber maakte. Itinéraire d'un enfant gâté toonde een Belmondo die men niet meer gewend was te zien. Een rustige, bijna ingehouden Belmondo. Plots werd de man die gezworen had nooit iets al te ernstig te nemen, ernstig genomen. Hij werd genomineerd voor een César, de Franse Oscar. 'Geachte', schreef Belmondo. 'Ik dank u voor de eer, maar ik bedank ook voor de eer: mijn enige jury is het publiek.' En als om de leden van de Franse filmacademie helemaal een neus te zetten, weigerde hij daarna nog in een deftige film te spelen. 'Het leven is een grap', Belmondo heeft de boutade van Milan Kundera tot het uiterste gedreven. Zelfs nu, nu hij ondersteund door het leven gaat, aan de ene kant door een wandelstok, aan de andere door de bevallige schouder van de dubieuze Barbara Gandolfi. De nadagen van zijn leven lijken de slechtste komedie waarin hij ooit gespeeld heeft. Maar hij vervult de rol met verve. Wat me doet eindigen met de vraag: kan een man zijn eigen film worden? CYCLUS JEAN-PAUL BELMONDO 1/5-17/6, CINEMATEK, BRUSSEL.DOOR TINE HENS