Zelden, heel zelden heeft een rockgroep als een komeet zo pardoes het firmament bereden om vervolgens al even ijlings in een roemloze krater te eindigen. Onder platenlabels, managers en andere bands gold Moby Grape jarenlang als het spectaculairste voorbeeld van hoe het in moedersnaam niét moet. Al dient gezegd dat ook de omstandigheden succesvol samenspanden om deze tijdgenoten van Buffalo Springfield en The Byrds genadeloos de dieperik in te duwen.
...

Zelden, heel zelden heeft een rockgroep als een komeet zo pardoes het firmament bereden om vervolgens al even ijlings in een roemloze krater te eindigen. Onder platenlabels, managers en andere bands gold Moby Grape jarenlang als het spectaculairste voorbeeld van hoe het in moedersnaam niét moet. Al dient gezegd dat ook de omstandigheden succesvol samenspanden om deze tijdgenoten van Buffalo Springfield en The Byrds genadeloos de dieperik in te duwen. En toch: van bij zijn stichting, omstreeks 1966 in San Francisco, was Moby Grape gezegend als een bus vol nonnen op de terugweg van Lourdes. Vijf zangers, vijf songschrijvers, vijf klasbakken. Schitterende zangharmonieën, onhippieachtig hecht samenspel. Er was ervaring, er was talent, er was de nogal fenomenale debuutplaat Moby Grape (1967). Geschiedschrijvers sloegen, kettingrokend van de zenuwen, extra inkt in. Helaas bleek dit ensemble zó goed dat bij de nochtans respectabele platenfirma Columbia de ontoerekeningsvatbaarheid toesloeg. Hoe knijpt men vijf geheide hitsingles stuk voor stuk dood? Door ze tegelijkertijd uit te brengen, en laat verwarde radiodeejays het maar uitvlooien. Hoe jaagt men de hele tegencultuur tegen zich in het harnas? Een bedorven, enkele jaarlonen verbrassend lanceringsfeest krijgt dat voor elkaar. Na het haast vlekkeloze debuut was Wow (1968) een gammele affaire (al bevat die plaat nog altijd een half dozijn songs waarmee men zijn kleinkinderen zacht aan de oortjes zal willen trekken). Eerst de dodelijke hype en dan de artistieke chaos: het graf van Moby Grape was gedolven, de zerk al onderweg. Desalniettemin maakte de band (minus de inmiddels in de psychiatrie belande gitarist Skip Spence) daarna nog een puike derde plaat, die schielijk tussen de plooien van de tijd is verdwenen. Het hoeft niet te verbazen dat op Moby Grape '69 wonden van velerlei aard worden gelikt. In het pakkende I Am Not Willing en de parelende countrysoul van If You Can't Learn from My Mistakes doet gitarist Peter Lewis - wonderbaarlijke, zijdezachte tenor - kond van zijn stukgelopen huwelijk. Leadgitarist Jerry Miller en drummer Don Stevenson grijpen het krachtig gezongen en gespeelde Going Nowhere aan om het aan den lijve ondervonden cynisme van muziekbusiness en publiek te hekelen. En in het dramatische Seeing, een restsong van Spence, lopen zacht en hard een onvergetelijke estafette, terwijl hijzelf de kreet 'save me, save me' exclameert. Het verband met 's mans paranoïde schizofrenie werd fluks gelegd. Tragisch genoeg zou ook bassist Bob Mosley - met zijn witte soulorkaan het andere vocale anker van de groep - niet lang daarna krek dezelfde diagnose moeten slikken. Toch vormen zijn songs op Moby Grape '69 de meest kommerloze: de op hol geslagen soulbluesenergiecentrale Trucking Man, het dartele It's a Beautiful Day Today, de als een knalrode Mustang over het asfalt scheurende boogie Hoochie. Moby Grape '69 was niet het laatste wapenfeit van dit stel, maar wel het laatste goeie. Ze hadden de Amerikaanse Beatles kunnen zijn, maar twee van hen verzeilden in de landloperij. Moby Grape: het cynisme van de goden, vooral. En maar gieren, daarboven. KURT BLONDEEL