Door Patrick Duynslaegher
...

Door Patrick DuynslaegherPaul Newman mag er op zijn zevenenzeventigste iets minder kwiek uitzien dan tijdens zijn gloriedagen, hij heeft nog altijd dezelfde guitige flikkering in zijn beroemde blauwe ogen en lijkt vastbesloten in het zadel te sterven. Hij blijft acteren in films, staat na vijfendertig jaar opnieuw op de planken, ontwikkelt nieuwe producten voor zijn voedselbedrijfje en scheurt nog altijd over de racebaan. En hij gaat, zegt hij spottend tijdens een gesprek in Chicago waar zijn nieuwste film Road to Perdition wordt gelanceerd, 'een niet geautoriseerde autobiografie' schrijven. Paul Newman: Telkens ik een nieuwe film maak, zeg ik erbij dat het mijn laatste wordt. Al tien jaar lang. Maar eerlijk gezegd zie ik mezelf niet zo gauw met pensioen gaan. Dankzij mijn raceauto blijf ik op scherp staan. Als je daarmee over de racebaan scheurt, moet je er wel je aandacht bij houden. Newman: Ik ben een bijzonder competitief persoon maar ik heb een beroep gekozen waarin de competitiviteit van weinig belang is. Racen is een exacte sport, je kan tot op een duizendste seconde natrekken wie de snelste was. In de filmwereld zijn er geen objectieve criteria om uit te maken wie de beste acteur is. Newman: Van geen enkele film die ik maakte voor 1978 kan ik nog genieten. Pas op het eind van de jaren zeventig ontdekte ik waar het om gaat. Vanaf 1980 zie je minder de radertjes als ik acteer, je merkt de inspanningen niet langer. Ik geniet er nu ook meer van. Ik verlies minder de hoofdzaak uit het oog en weet beter hoe ik mijn energie kan opsparen. Het probleem met acteren is dat je het altijd in stukjes moet doen, dat je voortdurend wordt onderbroken en afgeleid. Soms voel je je als een hengst in een bordeel die zijn ding van 's ochtends tot 's avonds recht moet krijgen. Maar eigenlijk bekijk ik mijn films achteraf gewoon niet meer. Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik er voor het laatst een zag. Het is zeker vijf jaar geleden. Newman: Het verhaal is behoorlijk uniek omdat de vader in een situatie terechtkomt waarin hij een verscheurende keuze moet maken. We hebben het niet over stereotypen maar over een onderzoek van individuen in een corrupt milieu. Ze mogen nog zo laag zijn gezonken, ze kunnen nog altijd kiezen tussen goed en kwaad. Newman: In de meeste gangsterprenten is het geweld gratuit en toont het alleen wat het aanricht bij het slachtoffer. Oogballen die in het rond vliegen, hersenen die tegen de muur spatten. Hoe grotesker hoe liever. In Road to Perdition zie je welk effect geweld heeft op de observator, in dit geval een kind, en op de vader die het geweld probeert te verklaren aan zijn zoon. Het is zeker geen verheerlijking. Geweld is onlosmakelijk met het verhaal verbonden. Newman: Ik heb dat altijd een vrij nadrukkelijke dialoog gevonden. Het verwondert me trouwens dat ze nog altijd in de film zit - zelf heb ik de voltooide versie nog niet gezien. Je verwijzing naar Brutus doet me denken aan een anekdote uit de theaterwereld. Tijdens een opvoering van Julius Caesar planten alle moordenaars hun dolk in de rug van Caesar. Ze staan daar in complete stilte en plotseling gaat de telefoon van de toneelmeester. Ze kijken elkaar wanhopig aan, tot een van de samenzweerders met luide stem vraagt: 'Wat doen we als het voor Caesar is?' Newman: Oorspronkelijk was dat een Ierse dansscène maar zowel Tom als ik slaan een slecht figuur op de dansvloer. Nu ben ik blij dat ze samen achter die piano zitten. Zonder er woorden aan vuil te maken voel je die sterke band tussen de oude gangsterbaas en zijn surrogaatzoon. Newman: De oorlog in Vietnam heeft me echt wakker geschud. Ik beschouw het nog altijd als een grote eer dat ik op Nixons zwarte lijst op de negentiende plaats stond. Newman: We hebben vaak de films die we verdienen. Minder dan de helft van de kiesgerechtigde bevolking gaat naar de stembus. Waarom zou je dan nog films maken over de belangrijke kwesties in de samenleving? Maar Hollywood gaat zeker ook niet vrijuit. Vroeger was het winstmotief minder dominant. Uitgevers publiceerden geregeld boeken waarvan ze wisten dat ze verliesgevend zouden zijn. Vandaag zijn de meest kritische filmproducties low budget-films. Newman: Vijftien jaar geleden verdiende de gemiddelde CEO van een bedrijf ongeveer vijfenzeventig keer zoveel als zijn personeel. Nu is dat vierhonderd keer zoveel. De hebzucht kent geen einde. Ik kan me ook geen periode in mijn leven herinneren waarin zo veel instituties onder vuur lagen: de Kerk, de zakenwereld, de politiek. In deze barre tijden zou een wat meer alerte pers zeker geen kwaad kunnen. Newman: Het belangrijkste neveneffect van elf september - en ik word er echt ziek van - is hoe sommige partijen er politiek munt uit slaan, zowel in de regering, de bedrijfswereld als het congres. Hoe de regering dank zij 9/11 weer heel schimmig en ondoorzichtig te werk mag gaan. Ook daar doen journalisten hun job niet. Newman: Ik wil daar zeker niet over opscheppen. Weet je, mijn saladebusiness waarvan alle opbrengst naar een goed doel gaat, begon bijna als een grap. Maar precies omdat niemand het ernstig nam, is het een succes geworden. Nu kan ik er niet meer aan ontsnappen en brengen mijn saladedressings meer op dan mijn films. Newman: Ik heb geen enkele raad te geven. Dertig jaar geleden was het privéleven van acteurs ook echt hun eigen zaak, tenzij ze het zelf anders wilden. Nu wordt het allemaal willens nillens breed uitgesmeerd en internet maakt het alleen maar erger. Kranten nemen elk gerucht op het net over alsof het evangelie is. We zouden in een beter land leven als de pers even veel aandacht zou besteden aan de gebeurtenissen in de Senaat of het Witte Huis als aan de bedgewoontes van filmsterren. 'Ik beschouw het nog altijd als een grote eer dat ik op de negentiende plaats stond op Nixons zwarte lijst'