Volwassen worden doe je met vallen en opstaan. Daarom is skaten hiervoor zo'n mooie metafoor. Zo'n brute en opwindende ook, want pijn en euforie liggen - bij pubers én skaters - dicht bij ...

Volwassen worden doe je met vallen en opstaan. Daarom is skaten hiervoor zo'n mooie metafoor. Zo'n brute en opwindende ook, want pijn en euforie liggen - bij pubers én skaters - dicht bij elkaar. Dat weet ook Jonah Hill. In zijn regiedebuut slalomt de acteur uit Superbad en The Wolf of Wall Street tussen die twee uitersten om een twaalfjarige knul te doorgronden die zich op sleeptouw laat nemen door enkele skaters. Hill toont hun groeipijnen via een blend van speelse homevideo's, bijtend sociodrama en verwassen straatfotografie die L.A. in een even groezelig als glamoureus ninetiessfeertje doopt - een mix waaruit een zwak voor Larry Clarks culthit Kids en Spike Jonze' baldadige skatefilms spreekt. Maar naast een nostalgische stijloefening is dit periodeportret vooral een confronterend coming-of-agedrama dat tijdloze wijsheden op onverwachte plekken vindt.