Eerste zin Lieve heer, dacht ik.
...

Eerste zin Lieve heer, dacht ik. En daarmee heeft u meteen de kortste zin uit Christophe Vekemans nieuwe roman gelezen. In Mensen als ik brengt hij immers op zijn bekende flamboyante manier een stukje uitbundige autobiografie. Of net niet, want de alom bekende schrijver met de cowboyhoed en dito boots blijkt opeens een snor te hebben en terwijl zijn vrouw voor het werk in Japan zit, trekt hij bloedgeil naar het Gentse hoerenkwartier, waar hij flink van bil gaat met 'de Hesp'. We laten de details liever aan uw verbeelding over, maar blijven toch met een belangrijke vraag zitten: zou Vekeman dat écht doen? Mensen als ik begint op het moment dat het hoofdpersonage genaamd Christophe Vekeman tot het besluit komt dat hij wel heel erg alleen leeft en daarom maar eens op zoek moet naar mensen als hemzelf. Hij heeft natuurlijk zijn vrouw Mieke en de drie andere leden van het cowboyhoedenkwartet met wie hij regelmatig een pint gaat drinken in De Buffel, maar dat is niet langer voldoende. Net wanneer hij ontdekt dat de ouwe vrouwen in zijn parochiekerk noch zijn West-Vlaamse collega's van Pompidou soelaas kunnen bieden, geeft een fan hem een tip. Misschien moet hij maar eens een optreden meepikken in de Bottoms Up, een goed draaiende countrykeet op nog geen halfuur rijden van Gent. Vekeman volgt haar raad, raakt er slaags met een andere bezoeker en vreest vanaf die dag diens zoete wraak. De angst vreet aan hem, hij wordt bij wijze van spreken een schaduw van zichzelf, en dan hebben we het nog niet eens over de linkerbijbalontsteking waardoor hij van de dokter niet langer een spannende jeans mag dragen, maar wel een joggingbroek. Probeer die maar eens te combineren met een cowboyhoed en dito boots. Vekeman heeft niet alleen een grappige roman geschreven, soms zoomt hij ook in op de minder flitsende kanten van het bestaan, als wilde hij de rem even opzetten, zodat je als lezer wat kunt ontspannen. Het zijn levensechte scènes waarin de verveling van alledag wordt weergegeven, er geleuterd en gezaagd wordt en de boogscheut van De Buffel naar zijn huis recht tegenover de kerk als een calvarie voelt. 'Zelfs geen kanker hebben is geen reden om te juichen', denk je dan samen met hem.