1 Tijdens je stadsdichterschap ben je vooral op zoek gegaan naar de plek waar poëzie en performance elkaar ontmoeten, lijkt het. Wat fascineert je daar zo aan?
...

1 Tijdens je stadsdichterschap ben je vooral op zoek gegaan naar de plek waar poëzie en performance elkaar ontmoeten, lijkt het. Wat fascineert je daar zo aan? Maud Vanhauwaert: Ik heb poëzie altijd al willen losweken van het blad papier en opeens kreeg ik de kans om heel Antwerpen als medium te gebruiken. Welke vormen kan poëzie aannemen en hoe kan ik haar telkens weer herdefiniëren, vroeg ik me daarbij af. Ik wilde op zoek gaan naar grenzen. Wanneer is iets poëzie en wanneer wordt het dagdagelijkse communicatie of beeldende kunst? Helemaal in lijn daarmee moest er uiteindelijk ook een mooi uitgegeven boek komen, een object en een avontuur op zich. Papier vind ik dus helemaal niet minderwaardig, integendeel zelfs: ik hou enorm van bibliofiele uitgaven. 2 'Sprakeloosheid' is een woord dat heel vaak terugkomt. Verwachten we van poëzie net niet dat ze spreekt? Vanhauwaert: Natuurlijk, maar ze schiet ook altijd te kort. Mijn sprakeloosheid kwam voort uit mijn eigen beperking. Ik woon in een stad waar meer dan vierhonderd talen worden gesproken, terwijl ik me zelf alleen maar kan uitdrukken in het Nederlands. Ik ben jaloers op mensen die in verschillende talen kunnen denken en merk vol verwondering hoe ze met iedere taal een andere persoonlijkheid lijken aan te nemen. Mensen denken vaak dat een dichter de taal wil vieren, terwijl ik daar toch vooral heel veel moeite mee heb, omdat taal veel beperkingen met zich meebrengt en omdat ze gevaarlijk is, want je kunt er mensen makkelijk mee manipuleren. 3 Wat is de mooiste herinnering die je aan twee jaar stadsdichterschap overgehouden hebt? Vanhauwaert: De Toren van Babel, de viering van het meertalige Antwerpen, omdat het een project was dat me uiteindelijk totaal is ontgroeid. Het idee van die toren was makkelijk, maar hem ook werkelijk bouwen, wat kunstcollectief Rooftoptiger heeft gedaan met de hulp van honderden vrijwilligers en heel wat partnerorganisaties, was natuurlijk nog iets anders. Toen de toren er eenmaal stond, is het project een eigen leven gaan leiden. Ik had gewoon via de achterdeur kunnen verdwijnen en niemand zou mijn afwezigheid gemerkt hebben. Ik was bijna niet meer nodig, en dat is het mooiste wat je als maker kunt voelen. Eenzelfde gevoel heb ik trouwens bij dit boek. Eens het laatste punt gezet was het niet langer van mij, maar van de wereld. Het kan nu een eigen leven leiden.