Jean Cocteau. Sur le fil du siècle Van 25 september tot 4 januari in Centre Pompidou, Parijs. www.centrepompidou.fr Jean Cocteau. Poète cinématographique. Retrospectieve in Filmmuseum Antwerpen, van 2 tot 19 oktober. tel. 03 233 85 71 en www.antwerpen.be/cvb
...

Jean Cocteau. Sur le fil du siècle Van 25 september tot 4 januari in Centre Pompidou, Parijs. www.centrepompidou.fr Jean Cocteau. Poète cinématographique. Retrospectieve in Filmmuseum Antwerpen, van 2 tot 19 oktober. tel. 03 233 85 71 en www.antwerpen.be/cvb Jean Cocteau is geboren op 15 juli 1889 in Masion-Lafitte, en was zijn leven lang, tot hij op 11 oktober 1963 stierf in Milly-la-Forêt, bovenal dichter. Zijn ervaring van het leven was poëtisch, want al zijn andere bezigheden - als romanschrijver, choreograaf, dramaturg, filmmaker, fotograaf, tekenaar, muzikant, couturier, keramiekkunstenaar, postzegelontwerper (vult u zelf maar aan) - kwamen enkel en alleen voort uit zijn dichterschap. Marcel Duchamp durfde geen enkele van de 'kunsten' ook maar aan te raken, en Paul van Ostaijen zei: 'Ik kan zelfs geen postzegels verzamelen.' Maar Cocteau moest en zou ze allemaal proberen. Want een dichter mag en kan alles, of kan tenminste alles naar zijn hand zetten. Hij máákt de wereld. Om die transformerende kracht had hij ook de cinema zo lief, 'ce véhicule incomparable de poésie'. 'Leve de jonge muze van de cinema,' juichte hij, 'want ze bezit het mysterie van de droom en laat toe de irrealiteit realistisch te maken.' Wat is de dichter als hij niet alles op zijn kop kan zetten? Dat hij daarbij op de ergernis van het grote publiek stuit, bakken beledigingen over zich heen krijgt in de kranten, en tijdens de Bezetting de Duitse censuur moet vrezen, het kan hem geen pluim in de reet schelen. 'Ik verwacht van het publiek een zwarte stilte die bijna zo gewelddadig is als gelach', zei hij ooit ernstig genoeg. Maar zijn gags tragiques waren niet echt aan zijn tijdgenoten besteed. 'Het publiek heeft niet graag dat men de spelregels verandert. Welnu, wat is een dichter? Een mens die die spelregels verandert.' Geen wonder dus dat hij af en toe voelde dat hij zelf van bezigheid moest veranderen: 'De pottenbakkerij heeft me het leven gered! Ze verhindert me ervan inkt te gebruiken, want die is te gevaarlijk geworden aangezien alles wat men schrijft systematisch wordt vervormd door degenen die het lezen.' Al op negenjarige leeftijd kreeg hij ermee af te rekenen, en Magere Hein zou zijn verdere bestaan een fellow traveller worden. Vader George Cocteau maakte zich in 1898 van kant in zijn ledikant, en de kleine Jean zou het beeld van bloed en dood nooit meer kwijtraken (zijn eerste film heette Le sang d'un poète). 'Tout ce que j'ai, me vient de l'enfance', was zijn verklaring voor zijn fenomenaal, maar romantisch donker bezwaard talent of voor een homo- of biseksuele geest die de religie niet schuwde (van katholicisme naar protestantisme en terug) en op een zomerdag het plan opvatte een Tristan en Isolde van de pederastie te maken. Zijn leven stond trouwens niet alleen in het teken van de poëtische dood. Cocteau verloor maar liefst zeven van zijn beste vrienden of vriendinnen, al of niet geliefden. Raymond Radiguet, die hem in 1918 als vijftienjarig wonderkind-dichter volledig van zijn stuk brengt tijdens een hommage aan de gesneuvelde Apollinaire (Radiguet was auteur van Le diable au corps), stierf in 1923 aan tyfuskoorts - opgelopen in een hotel waar hij zich voor Cocteau verschool. De verzen 'Fais-moi un peu habituer / á ce que mon pauvre ami Jean soit tué' zijn opgedragen aan een 23-jarige dichter die Cocteau in 1917 had leren kennen, maar die in 1918 zou sneuvelen. Marcel Khill, die hij leert kennen bij een homoseksuele, opiumverslaafde ex-collaborateur, steelt zijn hart (hij maakt hem meteen zijn secretaris) en wordt zijn reisgezel, maar sterft in de oorlog. Jean Desbordes, nog een andere auteur die onder zijn engelenvleugels groot was geworden (hij had het voorwoord voor diens J'adore geschreven), zou in 1944 omkomen na foltering door de Gestapo. De dood zou hem tot de dood blijven achtervolgen. Cocteau stierf op zijn 74e aan een hartaanval in zijn kasteel in Milly-la-Foret toen hij op die fatale 11e oktober het nieuws ontving dat nog een boezemvriendin, Edith Piaf (voor wie hij Bel Indifférent schreef), hem was voorgegaan. 'C'est mon dernière jour sur terre', had hij nog gezegd alvorens in zwijm te vallen. Of ligt de waarheid eerder in de andere versie: 'Ah, la Piaf est morte, je peux mourir'? Cocteau had zo zijn eigen idee van de cinema, het medium met 'inkt van licht', het 'voertuig van de gedachte', waarmee hij vooral in Orphée zou tonen dat de dichter enkel pretendeert te sterven en dat de dood niets negatiefs heeft, maar een rijke inspiratiebron is. Zijn debuut Le sang d'un poète (1930), tegelijk met (maar onafhankelijk van) Luis Buñuels L'Age d'or gemaakt, claimt het filmsurrealisme. Over La Belle et la Bête (1946), door iedereen bewonderd als een subliem irreëel sprookje, spreekt hij als over een realistisch werk. Het mysterie bevindt zich voor hem overigens in het precieze, en een sprookje heeft hoegenaamd niets vaags. Hoofdacteur is Jean Marais, een stuk tuig dat zich artistiek als een god manifesteert. Les parents terribles (1948) werkt dan weer als een duivels lachend melodrama, haaks op de thematiek van overspel en incest. Voor zijn meesterwerk Orphée (1949) speelt Cocteau plagend met de term 'politiefilm', wat volgens hem betekent dat de film zich ergens halfweg tussen mythe en het bovennatuurlijke bevindt. Het gevolg van zijn ironie beschrijft hij zelf: 'De eerste vraag die journalisten me stellen, is die fameuze Franse vraag: "Wat is het verhaal?" Als ik met klem antwoord: "Er is geen verhaal", word ik aangekeken met de schrik die men ervaart in het aanschijn van gekken.' Cocteaus filmavontuur begon met Le sang d'un poète en eindigde met Le testament d'Orphée (1959). Die laatste film, een Spielerei van een 70-jarige over een dichter die door de tijd reist op zoek naar inspiratie, werd door zowat niemand gezien. 'Als een werk zijn tijd lijkt vooruit te zijn, is dat gewoon omdat zijn tijd op hem achterloopt', was Cocteaus simpele reactie. Na de dood van Raymond Radiguet, die Cocteau verpletterde, doet Louis Laloy hem in 1924 opium schuiven in Monte Carlo. Aaah, denkt u, the good life. Niet echt, want in maart 1925 al moet hij een eerste keer het hospitaal in van de Parijse Thermes Urbains en daarna wordt hem in Hotel Welcome in Villefranche-sur-Mer platte rust en veel bezoek van vrienden voorgeschreven. In december 1928 is het weer zover, deze keer in Saint Cloud, waar hij ook Opium, een dagboek van ontwenning schrijft en tekent. In 1929 is hij er nog steeds en schrijft er in 17 dagen Les enfants terribles, om in april in een hotel in de rue Bonaparte in te schrijven. Enfants wordt gepubliceerd en in 1930, na het draaien van zijn eerste film Le sang d'un poète, komt ook Opium uit, met 40 tekeningen en drie collages. De geschiedenis herhaalt zich een paar keer, want Cocteau moet zich op dat ogenblik sterk hebben geïdentificeerd met de romantische dichters als Byron, Shelley, Coleridge. Cocteaus naam uitspreken, is denken aan de talrijke beroemdheden die hij tot zijn vrienden kon rekenen of, omgekeerd, aan de vrienden die hij zélf gewoon beroemd maakte (een lijst vindt u in de buurt). Tegelijk steeds opnieuw geconfronteerd met de dood, leek het of hij veel vrienden 'maakte' om nooit door verrassend toeval de plotse eenzaamheid te moeten voelen die hij zich uit zijn jeugd herinnerde. Zijn vriendschap met Picasso was uniek, hun ontmoeting des duivels. Voor Cocteau waren de ogen als genitaliën en voerden die van Picasso haast een seksuele aanval op hem uit: gitzwart, als de loop van een geweer. Een levenslange bewondering en artistieke onderwerping is het resultaat. Door Jo Smets