Film: *** Extra's: (Lumière)
...

Film: *** Extra's: (Lumière) Les témoins. Getuigen waarvan? Dat wordt pas duidelijk voorbij de eerste helft van deze kroniek van leven en liefde in het Frankrijk van de jaren tachtig, als de jonge protagonist Manu (Johan Libéreau) de symptomen van aids ontwikkelt. Bij de aanhef van de film is Manu een naïeve provinciaal die in 1984 neerstrijkt in Parijs, er intrekt bij zijn oudere zus Julie (Julie Depardieu) die het probeert te maken als operazangeres, en vooral gulzig van zijn nieuwe vrijheid geniet. In een park, trefpunt voor homo's, ontmoet hij Adrien (Michel Blanc), een arts van middelbare leeftijd op jacht naar jongens. Adrien wil meer dan een louter platonische vriendschap, maar legt er zich toch bij neer en introduceert Manu bij zijn vriendin Sarah (Emmanuelle Béart), schrijfster van kinderboeken die zelf problemen heeft met het kersverse moederschap en met haar minnaar Medhi (Sami Bouajila), een moslim die aan de kost komt als inspecteur bij de Parijse zedenbrigade. Les beaux jours titelt André Téchiné het eerste hoofdstuk van zijn film, dat een en al joie de vivre is, een tijd van probleemloos experimenteren, aftasten van verlangens en gevoelens, door de regisseur gefilmd als een zonovergoten rondedans tussen de verschillende karakters. Een dans van tegengestelden ook: oud en jong, man en vrouw, hetero en homo, werklui en bourgeois, blank en gekleurd. En later ook ziek en gezond. La guerre heet het tweede deel van de film, waarin we zien hoe het gezelschap omgaat met de mysterieuze nieuwe ziekte die de jongste van hen treft, hoe angst, onzekerheid en schuldgevoel vriendschappen en onderlinge relaties op de proef stellen en hoe ze (in de woorden van de dokter met dienst) het best 'het verzet kunnen organiseren'. En tenslotte zien we in de epiloog Retour de l'étéhoe ze omgaan met dood en verdriet en de herinnering aan de jongen die zonder dat hij het zelf goed besefte hun gevoelsleven totaal overhoop woelde. Téchiné maakt er geen traktaat, aanklacht of sermoen van, maar suggereert dat mensen in het licht van welke catastrofe ook en ongeacht welk zwaard van Damocles er boven hun hoofd hangt, doorgaans blijven doen wat ze altijd gedaan hebben: liefhebben en op zoek gaan naar liefde, trouw en ontrouw zijn, moedig en laf, genereus en zelfzuchtig. Téchiné getuigt van een periode, de beginjaren van de aidsepidemie, die zijn generatie diep markeerde, zonder dat hij naar hoogdravende of pathetische argumenten grijpt. De essentie schuilt in de kleine zaken, de vluchtige terzijdes, de verrassende observaties. Wat kan gaan van een gestolen blik tot een onverwachte erotische complicatie. En momenten oplevert om te blijven koesteren: de verlangende blik van Adrien die Manu volgt terwijl hij wegrent en in een boom klautert; Sarah en Manu die elkaar voor het knetterend haardvuur voor de eerste en laatste keer kussen. Patrick Duynslaegher