Julian Schnabel met Mathieu Amalric, Emmanuelle Seigner, Marie-Josée Croze, Max von Sydow
...

Julian Schnabel met Mathieu Amalric, Emmanuelle Seigner, Marie-Josée Croze, Max von Sydow Jean-Dominique Bauby leidde een leven dat velen hem benijdden: hij was de succesvolle hoofdredacteur van het magazine Elle, bewoog zich in de beau monde en had pas een contract getekend met uitgeverij Robert Laffont voor een moderne (lees: vrouwelijke) adaptatie van Alexandre Dumas' Comte de Monte-Cristo. Ook privé ontbeerde de Fransman niets: een gezin met drie kinderen én een nieuwe vlam met wie hij al zes maanden vrolijk samenhokte terwijl zijn echtgenote voor zijn kroost zorgde. Tot op een dag enkele adertjes onder zijn hersenpan het begaven en Bauby in een diepe coma wegzonk, waar hij pas 20 dagen later weer uit kwam. Het is bij zijn eerste tekenen van leven - nu ja - dat deze film van regisseur/plastisch kunstenaar Julian Schnabel begint. Wat een boeiende biopic had kunnen worden over de auteur van het gelijknamige, moeizaam tot stand gekomen boek, gaat helaas gebukt onder de drang van Schnabel om artistiekerig te doen. Tijdens de openingsgeneriek - een opeenvolging van röntgenfoto's - dachten we zowaar even dat de cineast het werk van Wim Del-voye omhelsd had. Maar als Schnabel - een icoon van de jaren 80 die al biografieën wijdde aan zijn tijdgenoot Jean-Michel Basquiat ( Basquiat, 1996) en de Cubaanse dichter Reinaldo Arenas ( Before Night Falls, 2000) - denkt dat uit een portret van een kunstenaar automatisch kunst ontstaat, heeft hij het mis. Waar zijn vorige films nog thema's hadden - te weten: marginaliteit en geknok voor de mensenrechten - neigt Le scaphandre et le papillon bij momenten naar een 'ziekte-van-de-week'-film. Dat Schnabel in het derde deel van de film Bauby's familieleven uit de doeken begint te doen, helpt al evenmin. Bauby beleeft en ziet de hem omringende werkelijkheid uitsluitend via zijn linkeroog. Na zijn ontwaken wordt hem verteld dat hij aan het locked-in-syndroom lijdt. Zijn enige manier om te communiceren met de buitenwereld - en om woorden op papier te krijgen - is knipperen met dat linkeroog; de rest van zijn lichaam is verlamd. Maar zijn denk- en verbeeldingsvermogen zijn intact. Schnabel filmt een groot stuk van het verhaal volledig vanuit Bauby's standpunt: onscherp, overbelicht en soms licht vervormd. Zo duwt hij de toeschouwer in de belevingswereld van zijn protagonist, met benauwend effect. De titel geeft weer hoe Bauby zich voelt: opgesloten in een duikersklok, maar zijn geest dwarrelt vrijelijk rond. Of dat ook een reden moet zijn om regelmatig een duiker in beeld te brengen, is maar de vraag: metaforen zijn mooi als ze niet te expliciet worden. Piet Goethals