Het is 1958. Piaf kent met Milord haar grootste succes, grote belofte Gainsbourg debuteert met Le Poinçonneur des Lilas. Brel, die in Parijs woont, lijkt hierdoor nog meer gedreven. Hij werpt zich als een bloedhond op zijn prooi, hij ontmaskert, klaagt aan, bijt. La Valse à Mille Temps is het resultaat, een muzikaal manifest waarin hij de inerte Vlaamse cultuur, de kerk en
...

Het is 1958. Piaf kent met Milord haar grootste succes, grote belofte Gainsbourg debuteert met Le Poinçonneur des Lilas. Brel, die in Parijs woont, lijkt hierdoor nog meer gedreven. Hij werpt zich als een bloedhond op zijn prooi, hij ontmaskert, klaagt aan, bijt. La Valse à Mille Temps is het resultaat, een muzikaal manifest waarin hij de inerte Vlaamse cultuur, de kerk en de bourgeoisie op de korrel neemt, gevoeligheden die hij al van in zijn jeugd met zich meedraagt. Vlaanderen steigert bij het aanhoren van Les Flamandes en spuwt Brel uit omdat het de universaliteit, de grandeur niet kan vatten en zijn scherpzinnigheid allicht niet wil begrijpen. Brel zette de beelden in zijn hoofd, zoals hij het zich herinnert uit zijn jeugd, van ziel- en vreugdeleus volksdansende Vlaamse vrouwen, op muziek. 'Het is als grap bedoeld', verweert Brel zich gelaten . ' Les Flamandes is een eenzijdige voorstelling van de dansende Vlaamse vrouw, die ik verder niet wil beledigen. Als ik een karikatuur teken van de Amerikaanse president Eisenhower ben ik toch zijn vijand nog niet? De Vlamingen zijn ook mijn volksgenoten, maar ze zien het liedje door een te donkere bril.' Wanneer hij later Le Plat Pays uitbrengt, wordt gefluisterd dat hij het daarmee wilde goedmaken tegenover Vlaanderen. Waarop Brel furieus reageert: 'Ik moet mij tegenover niemand verontschuldigen!' Koppig, hardnekkig en eerlijk, fulminerend tegen huichel-achtigheid en schijnheiligheid: dat was Brel. Niet alleen de Vlaamse volksaard krijgt ervan langs, in La Colombe uit hij ook scherpe commentaar op de oorlog in Algerije. 'Brel is een orkaan,' zei zijn accordeonist Jean Corti, 'hij blaast alles en iedereen omver.' De schade die hij daarbij veroorzaakt, neemt hij er graag bij. 'Ik zing liever ergens over dan nergens over', verklaart Brel. 'En als ik me hier en daar eens vergis of verkeerd uitdruk, het zij zo, dat risico neem ik. Ik heb een hekel aan voorzichtigheid, het leidt tot niets. Doe, probeer, steek je nek uit, misluk desnoods! Het is de enige manier om te slagen in het leven.' Op negatieve reacties reageert hij berustend: hij is niet verantwoordelijk voor de interpretatie die de luisteraar aan zijn songs geeft. 'Als ik daarmee rekening moet houden, kan ik maar beter stoppen.' Gelijk heeft hij, als je weet dat zelfs het bloedstollende, ultieme liefdesliedje Ne Me Quitte Pas tegenkanting krijgt. Het was Piaf zelve die vond dat mannen zulke dingen niet horen te zingen. Ook muzikaal is het chanson gewaagd en vernieuwend, want Brel gebruikt de Ondes Martinot, een elektronisch toetseninstrument dat vibrerende klanken uitstoot, en tot dan alleen in de zogenaamde ernstige muziek te horen was. Ondanks of dankzij de talloze reacties wordt La Valse à Mille Temps een commercieel succes. Van het ravissante titelnummer, een duizelingwekkende walscarrousel, worden op zes maanden tijd 500.000 exemplaren verkocht. Brel eiste van zijn impresario dat die geen enkel concert zou weigeren. Zo kwam hij aan 300 optredens per jaar. Toen hij in 1966 zijn afscheidstournee afwerkte, stootte hij weer op onbegrip: 'Aanvankelijk wilde niemand dat ik begon, nu wil niemand dat ik stop.' Ook die beslissing was ingegeven door eerlijkheid, tegenover zichzelf en zijn publiek. 'Ik kende na al die jaren de trucs om met mijn publiek om te gaan. Ik had macht over hen, en dat vond ik bedreigend voor mezelf. Ik riskeerde te gemakzuchtig te worden. De mens is een nomade. Maar hoe vaker ik optrad, hoe meer ik het gevoel kreeg dat ik huiselijk werd. Het was niet gevaarlijk meer.' (E.H.)'Ik heb een hekel aan voorzichtigheid, het leidt tot niets. Doe, probeer, steek je nek uit, misluk desnoods! Het is de enige manier om te slagen in het leven.' Jacques Brel