BOB DYLAN
...

BOB DYLAN NIJGH & VAN DITMAR, 311 BLZ., 20 a 'Toen ik nog in de Midwest woonde,' schrijft Bob Dylan, 'speelde de radio een grote rol in mijn leven. Je kreeg de hele wereld in huis.' Later ontmoet hij een jongen die ooit geluidseffecten voor radioshows maakte. 'Ik vroeg hem hoe hij het geluid van de elektrische stoel nabootste. Het was spek dat spetterde in de pan. En gebroken botten? Hij pakte een snoepje en vermaalde dat tussen zijn kiezen.'Bob Dylans langverwachte autobiografie heeft ongeveer hetzelfde effect als de anekdote die hij ergens terloops beschrijft: we krijgen een glimp van hoe de zaken werkelijk in elkaar zitten, maar de magie blijft intact. De vijf hoofdstukken in dit eerste volume van Dylans Kronieken vormen bezwaarlijk een formele biografie en zijn vooral opmerkelijk in wat ze niet vertellen. Geen verklaring over het beruchte motorongeval van 1966, geen uitleg over het heilige triumviraat van de rockgeschiedenis (Bringing It All Back Home, Highway 61 Revisited en Blonde on Blonde), geen woord over de echtscheiding met Sara Lowndes of zijn geheime huwelijk met achtergrondzangeres Carolyn Dennis. Wat overblijft, is een bruisende, fragmentarische, Kerouac-achtige vertelling - Dylan geeft toe dat hij een hardnekkige On The Road-obsessie heeft - over drie bepalende periodes in Dylans leven: voor, tijdens en na de onmetelijke roem. Aansluitend bij het hoofdthema van de grote Amerikaanse literatuur, betrekt Dylan de reinvention of self weergaloos op zichzelf; we lezen hoe hij in de vroege jaren zestig een identiteit bij elkaar sprokkelt uit de rijke folktraditie, hoe hij op het toppunt van zijn roem de boel saboteert om toch maar geen icoon van een generatie te hoeven zijn en hoe hij in de jaren tachtig, in de creatief droogste herfst die een muzikale car- rière maar kan ondergaan, zichzelf opnieuw weet uit te vinden. Een autobiografie is wellicht altijd een onontwarbaar kluwen van feit en fictie, maar Dylans toon is verrassend eerlijk en direct in de manier waarop hij keer op keer zijn status verwerpt, zijn twijfels en onzekerheden formuleert en zijn ontzaglijke liefde voor de muziek beschrijft. Daardoor kan je als lezer haast niet anders dan alles klakkeloos te geloven wat hij neerschrijft. Voor iemand die in het verleden al zo bedreven was met rook en spiegels, wekt dat allicht geen verwondering. De Dylan die naar voor komt in zijn Kronieken is bovendien een opmerkelijke stilist, met een sterk gevoel voor ritme, detail en humor dat zelfs de saaiste opsommingen van de bladzijden doet springen. Ondanks de soms wat slordige Nederlandse vertaling, heeft de literaire Dylan een unieke vertelstem die, net zoals de wendingen in zijn muzikale carrière, het verwachtingspatroon van zijn publiek glansrijk weet te doorbreken. Bram van Moorhem Bram van Moorhem