Een koude oorlog is per definitie een strijd die niet op traditioneel oorlogsterrein maar op het culturele slagveld wordt beslecht. De vliegbasis Kleine Brogel mag dan vol liggen met de tastbare nucleaire restanten van de manier waarop de Koude Oorlog politiek gevoerd werd, de 'echte' strijd vond elders plaats: op de olympische ijspistes en basketvelden, op de wereldkampioenschappen schaak en op de wereldtentoonstellingen. Niemand vatte de inzet van de culturele clash beter samen dan Herb Brooks, de coach van het Amerikaanse ijshockeyteam die in 1980 na een legendarische overwinning op de 'Russkies' tegen president Carter zei: 'Het was een grote overwinning en het bewijst dat onze way of life de juiste weg is om op verder te gaan.' Nergens werd het gevecht om te tonen wiens manier van leven nu de beste was harder bevochten dan in de bioscoop. En dan gaat het niet eens over de fiftieshorror- en -scifiklassiekers waarin de dreiging van de Koude Oorlog impliciet sluimert, wel om niet mis te verstane propagandaproducten als Red Nightmare (George Waggner, 1957), I Was a Communist for the FBI (Gordon Douglas, 1951) en Rambo III (Peter MacDonald, 1988).
...

Een koude oorlog is per definitie een strijd die niet op traditioneel oorlogsterrein maar op het culturele slagveld wordt beslecht. De vliegbasis Kleine Brogel mag dan vol liggen met de tastbare nucleaire restanten van de manier waarop de Koude Oorlog politiek gevoerd werd, de 'echte' strijd vond elders plaats: op de olympische ijspistes en basketvelden, op de wereldkampioenschappen schaak en op de wereldtentoonstellingen. Niemand vatte de inzet van de culturele clash beter samen dan Herb Brooks, de coach van het Amerikaanse ijshockeyteam die in 1980 na een legendarische overwinning op de 'Russkies' tegen president Carter zei: 'Het was een grote overwinning en het bewijst dat onze way of life de juiste weg is om op verder te gaan.' Nergens werd het gevecht om te tonen wiens manier van leven nu de beste was harder bevochten dan in de bioscoop. En dan gaat het niet eens over de fiftieshorror- en -scifiklassiekers waarin de dreiging van de Koude Oorlog impliciet sluimert, wel om niet mis te verstane propagandaproducten als Red Nightmare (George Waggner, 1957), I Was a Communist for the FBI (Gordon Douglas, 1951) en Rambo III (Peter MacDonald, 1988). 'Bent u nu, of bent u ooit, lid geweest van de Communistische Partij?' Het moet die vraag zijn die het naoorlogse Hollywood het vaakst gesteld werd. Als je ze te horen kreeg, zat je in de getuigenbank op een hoorzitting van het HUAC, het House Un-American Activities Committee, en had je twee keuzes: namen noemen en rustig verder aan je carrière werken of zwijgen, gecategoriseerd worden als unfriendly witness en op de blacklist belanden. Bekende mensen die zo plots heel wat minder werkgelegenheid kregen, waren Charles Chaplin en Orson Welles. Onder de namennoemers zaten anticommunistische kanjers als Ronald Reagan (die als acteur niet minder rechts was dan later als president), John Wayne en Elia Kazan. Minder bekend zijn de anti- Sovjetpropagandafilms die de grote studio's 'spontaan' begonnen te draaien om elke mogelijke zweem van communistische sympathieën bij voorbaat te ontkrachten. The Red Menace (R.G. Springsteen, 1949), Invasion USA (Alfred E. Green, 1952), My Son John (Leo McCarey, 1952) en enkele andere weinig aan de verbeelding overlatende vehikels moesten waarschuwen voor het overal loerende Rode Gevaar. Houd uw kinderen binnen! Of toch maar niet, want als die kleine ratten communisten blijken, bent u er ook aan voor de moeite. Met subtiliteit heeft deze pagina uit de Amerikaanse filmgeschiedenis weinig van doen. De I Married... films uit die jaren - I Married a Nazi (Irving Pichel, 1940), I Married a Communist (Robert Stevenson, 1949) en I Married a Monster from Outer Space (Gene Flower, 1958) toont mooi aan in welk fraai gezelschap de communisten zich destijds bevonden: ergens tussen de nazi's en de buitenaardse wezens in. De bolsjewieken maken in dezelfde periode overigens hun eigen propaganda, maar opmerkelijk genoeg is die minder agressief dan de Amerikaanse tegenhanger. Uiteraard waren de slechteriken veelal Brits en Amerikaans kapitalistisch tuig, maar films als Encounter on the Elbe (Grigori Aleksandrov, 1949) of The Russian Question (Michaïl Romm, 1948) tonen geen Amerikaanse soldaten die arme Sovjetkindjes afslachten of vrouwen verkrachten en ook geen US-bommenwerpers boven Leningrad. In tegenstelling tot de kapitalistische Amerikaanse producties, die de hele wereld rondgingen, waren de Sovjet-Russische producties bedoeld voor binnenlands gebruik en in de traditie van het Sovjetrealisme kon geen sprake zijn van, bijvoorbeeld, een Amerikaanse penetratie van Moedertje Rusland. Ook later, wanneer in Hollywood Sylvester Stallone, Chuck Norris en hun kompanen kilo's lood pompen in alles wat de American way of life ook maar enigszins zou kunnen bedreigen, blijven de Russische producties gematigder. Testosteron zal daar op de zwarte markt net iets duurder geweest zijn. Of het enkel verminderd anticommunisme was of simpelweg verminderde opbrengsten is niet helemaal duidelijk, maar in de jaren zestig en zeventig dringt ook in de VS door dat pure propaganda geen volk meer naar de zalen lokt en doen sociale kritiek en satire hun intrede. In films als The Manchurian Candidate (John Frankenheimer, 1962), Fail Safe (Sidney Lumet, 1964), Dr. Strangelove (Stanley Kubrick, 1964), en The Russians Are Coming, the Russians Are Coming (Norman Jewison, 1966) wordt de Red Scare-hysterie die in de jaren veertig en vijftig nog tot een ware heksenjacht had geleid op de korrel genomen. Het Rode Gevaar wordt voortaan iets rooskleuriger in beeld gebracht en hier en daar wandelt al eens een 'menselijke' Rus in beeld. De veranderingen ogen spectaculairder dan ze zijn want communisme wordt nog steeds neergezet als een verwerpelijke ideologie. De geportretteerde Russen blijken er gewoon iets minder aan verknocht dan hun voorgangers. Kubrick, Lumet, Jewison en hun vakbroeders hadden zich de moeite overigens kunnen besparen want in 1983 toont president Ronald Reagan zich nog eens van zijn meest diplomatieke kant door de Sovjet-Unie een 'evil empire' te noemen en zo en passant de heetste fase van de Koude Oorlog in te luiden. De man pompte toen trouwens al enkele jaren Amerikaanse dollars in anticommunistische guerrillabewegingen. Een staaltje buitenlandpolitiek dat Sly Stallone in 1988 op onnavolgbare wijze zou verheerlijken in Rambo III. Voor wie de tel kwijt is, dat is die Rambo waarin hij samen met de Afghaanse moedjahedien ten strijde trekt tegen de Sovjets door met pijl en boog helikopters neer te halen. In 1988 liep de Koude Oorlog eigenlijk al op zijn laatste benen, maar de Italian Stallion zat er wel vaker naast met zijn timing want in 1985 had hij in Rocky IV - waarin hij het, getooid in een stars and stripes-broekje, opneemt tegen Russische steroïdenbom Ivan Drago (een rol van Dolph Lundgren) - eigenlijk al het einde van de vijandigheden aangekondigd met zijn tot de Sovjets gerichte 'If I can change, and you can change, everybody can change'-speech. Woorden die Reagan geïnspireerd moeten hebben voor zijn 'tear down this wall'-speech van twee jaar later. Met dit verschil dat Reagans woorden uiteindelijk ook daadwerkelijk de Koude Oorlog zouden beëindigen. Ach, de jaren tachtig, will they ever go away? Fluokleding heeft intussen al een paar revivals gekend maar ook de foute actiefilms zijn terug van nooit weggeweest. Enig verschil? De Sovjet-Unie bestaat niet meer, de Amerikanen beginnen weer te verbroederen met Cuba en de Chinese markt is te lucratief geworden om nog lukraak Chinezen te beledigen. De oplossing blijkt Noord-Korea, waar de laatst overgebleven communistische vijanden verblijven. De heisa rond Seth Rogens The Interview (2014), waarbij zelfs de site van Sony Pictures werd gehackt, is slechts het topje van de ijsberg. Sinds ze James Bond folterden in Die Another Day (Lee Tamahori, 2002) zijn de onderdanen van Kim Jong-il en tegenwoordig King Jong-un aan een Amerikaanse opmars bezig. In de remake van Red Dawn (Dan Bradley, 2012) vallen ze zelfs de VS binnen en in Olympus Has Fallen (Antoine Fuqua, 2013) bezetten ze zelfs het Witte Huis. In Salt (Phillip Noyce, 2010) doen ze Angelina Jolie pijn en in Stealth (Rob Cohen, 2005) jagen ze Jessica Biel op. Opmerkelijke parallellen? De Noord-Koreanen worden neergezet als uiterst bloeddorstige sadisten die het op onze 'normen en waarden' gemunt hebben. Dus voor we verder lachen met de patriottische exportproducten van de jaren tachtig kunnen we misschien ook even denken aan hoe er binnen dertig jaar naar ons eigen tijdvak gekeken wordt.RED ARMY Vanaf 27/5 in de bioscoop. DOOR SAM DE WILDE'BENT U NU, OF BENT U OOIT, LID GEWEEST VAN DE COMMUNISTISCHE PARTIJ?' HET MOET DE VRAAG ZIJN DIE HET NAOORLOGSE HOLLYWOOD HET VAAKST GESTELD WERD.