Door Dave Mestdach
...

Door Dave MestdachKort nadat Godard en Truffaut de nouvelle vague in Frankrijk op gang hadden geschoten met A bout de souffle en Les 400 coups - beide uit 1959 - ontstond ook in Japan een innoverende filmstroming die zich op dezelfde auteurstheorie baseerde, dezelfde invloeden citeerde en komaf wilde maken met de brave bourgeoiscinema. Toch waren er wel degelijk verschillen. Waar de Franse vernieuwingsgolf geconcentreerd was rond ex-critici van het filmblad Les cahiers du cinéma, vloeide haar oosterse pendant uit de filmstudio's zelf voort. De term werd dan ook voor het eerst gebruikt om het vernieuwende werk van studiofilmers als Seijun Suzuki en Kaneto Shindo aan te duiden, al gingen nieuwe Japanse filmers als Nagisa Oshima en Shohei Imamura al snel met het begrip aan de haal door resoluut de onafhankelijke toer op te gaan en de kloof met de lokale mainstreamproductie te verdiepen. Een artistieke en thematische rode draad vinden leek aanvankelijk nochtans niet eenvoudig. Zo hield Suzuki zich vooral bezig met gangstercinema die met flinke dosissen seks en geweld tot taboedoorbrekende popart werd opgepimpt, terwijl Oshima - de enige die net als zijn Franse confraters wél een verleden als theoreticus had - van bij zijn eerste films een uitgesproken politiek en geëngageerd parcours volgde. Wat de diverse nouvelle-vaguefilmers dan ook vooral leek te verenigen, was de drang om thema's aan te snijden die nooit eerder in de traditionele Japanse cinema werden verkend. Zo doken plots outcasts en delinquenten op als protagonisten, werd eindelijk ook de veranderende maatschappelijke rol van de vrouw bediscussieerd, kregen de vastgeroeste sociale structuren een veeg uit de pan en werden seksuele taboes één voor één beslecht. Mijlpalen daarbij waren Oshima's A Town of Love and Hope (1959) - een dubbelportret van rebelse studenten die vanwege hun workingclassroots geen aansluiting vinden bij het establishment - en Cruel Story of Youth (1960) - een al even wrange jongerenkroniek waarin een kritische blik geworpen wordt op Japans Wirtschafts-wunder en hedonistische jeugd. Beide films worden door Ecran Total vertoond in een retrospectieve over de Japanse nouvelle vague, naast werk van die andere new wave- sensei: de twee jaar geleden overleden Shohei Imamura. Van hem is er bijvoorbeeld Intentions of Murder (1964), een onthutsend drama over een burgervrouw die een ongezonde fascinatie ontwikkelt voor haar verkrachter, en de documentaire History of Postwar Japan as Told by a Bar Hostess (1970), waarin prostitutie dient als metafoor voor de geschiedenis van het naoorlogse Japan. Daarnaast zijn er ook twee films van Kiju Yoshida, die net als Oshima de stiel leerde bij grootmeester Yasujiro Ozu maar zich op zijn beurt later afzette tegen diens contemplatieve cinema. Hoewel Yoshida's stijl een stuk lyrischer oogt dan het ruwe, naar oerinstincten peilende werk van Oshima en Imamura, is de toon zeker niet minder kritisch. Zo zet hij in het liefdesdrama An Affair at Akitsu (1962) zijn heimat te kijk als een oord vol tristesse en autodestructieve passie, dat sinds de capitulatie het morele noorden kwijt lijkt. En ook in Eros + Massacre (1970) - een vormelijk radicaal politiek drama over twee anarchisten die in de jaren twintig werden vermoord - wordt ongegeneerd ingezoomd op de clash tussen heden en verleden, traditie en moderniteit. Ecran Total loopt van 25 juni tot 9 september in de Brusselse Cinema Arenberg. Meer info vindt u op www.arenberg.be.