Stond Alfred Hitchcock in 1963 nog trots te glimmen bovenop de Hollywoodheuvels na de succesnummers Psycho en The Birds, dan tuimelde The Master of Suspense met opvolger Marnie - met de nog relatief onbekende Tippi Hedren en Sean Connery in de hoofdrollen - een jaar later alweer pardoes naar beneden.
...

Stond Alfred Hitchcock in 1963 nog trots te glimmen bovenop de Hollywoodheuvels na de succesnummers Psycho en The Birds, dan tuimelde The Master of Suspense met opvolger Marnie - met de nog relatief onbekende Tippi Hedren en Sean Connery in de hoofdrollen - een jaar later alweer pardoes naar beneden. Hoewel Hitch hun goudhaantje was, waren de hoge pieten bij MCA/Universal erg ontgoocheld. Niet alleen verplichtten ze hem om voor zijn volgende project minstens enkele grote namen te strikken, met de spionagethriller Torn Curtain (1966) werd hem een film opgedrongen die hem au fond geen moer interesseerde. Het voorspelbare resultaat was een nieuwe flop, maar dan wel met een Paul Newman en Julie Andrews, de twee grootste sterren van dat moment. Het hoeft geen betoog dat Kaleidoscope - de serialkillerthriller die hij daarna in gedachten had - niet onder een gunstig gesternte geboren werd. In Donald Spoto's gezaghebbende biografie The Dark Side of Genius wordt het project zelfs amper vermeld, ook al was het met zijn necrofiele homoprotagonist en perverse lustmoorden zonder twijfel een van de meest controversiële films uit zijn loopbaan geworden. Op 18 februari 1968 weidde Hitchcock erover uit in een lange, gedetailleerde brief aan zijn jonge bewonderaar en collega François Truffaut. Daarin had Hitchcock het niet over Kaleidoscope, maar over Frenzy, wat later wel eens voor misverstanden zorgde. In 1972, nadat hij naar Engeland was teruggekeerd, zou Frenzy namelijk ook de titel blijken van zijn voorlaatste film, die inhoudelijk weliswaar wat raakvlakken vertoonde, maar verder weinig of niets met Kaleidoscope te maken had. Uit die brief blijkt dat Hitchcock zich voorgenomen had om geen compromissen meer te sluiten, gepokt en gemazeld door het debacle van Torn Curtain en ontgoocheld door het bruusk stopzetten van de populaire tv-reeks waaraan hij sinds 1955 zijn naam leende. Toch was het vooral de stuurse houding van Universal die hem ertoe aanzette om opnieuw het mes boven te halen. Net zoals bij Psycho hoopte hij de wereld te verrassen met een hoogst onconventionele huiverfilm. In het diepst van zijn donkere gedachten behoorde Kaleidoscope/Frenzy tot een geheel nieuwe soort seriemoordenaarthriller, één met expliciete seksscènes en onbekende acteurs, gedraaid op locatie voor een beperkt budget. De film moest de rebelse vrijheid van de swinging sixties uitademen, een tijdsgewricht vol politieke, seksuele en andere revoluties. Bovendien hoopte Hitchcock - die zijn bewondering voor Europese vormvernieuwers als Godard en Antonioni nooit onder stoelen of banken had gestoken - er een nieuwe stijlgolf mee te creëren, een nouvelle vague die tegen de roestige pilaren van Hollywood inbeukte. Voor zijn verhaal - dat oorspronkelijk als een prequel op zijn suspenseklassieker Shadow of A Doubt (1942) was opgevat - zocht Hitchcock onder meer inspiratie bij John George Haigh, de zogeheten 'acid bath killer' die zijn vrouwelijke slachtoffers oploste in een bad van azijnzuur. Een ander model was John Christie, een necrofiel die verschillende vrouwen - onder wie zijn echtgenote - in mootjes hakte en daarna in kasten verstopte. De derde en voornaamste inspiratiebron was 'the baby-faced killer' Neville Heath, een charmante ex-legerofficier die kort na de oorlog minstens twee minderjarige meisjes brutaal verkrachtte en vermoordde om een jaar later onder massale belangstelling in Londen te worden geëxecuteerd. In april 1967 schreef Hitchcock een eerste scriptversie, die hij voorlegde aan Benn Levy, zijn oude Britse buddy met wie hij dertig jaar eerder al de detective-thriller Blackmail (1929) had neergepend. Meteen raadde Benn hem aan om het hoofdpersonage enkel op Neville Heath te baseren, aangezien de twee andere lustmoordenaars nog zieker en perverser waren en bijgevolg nooit de censuur van Universal zouden passeren. Tegelijkertijd gingen beide veteranen locaties scouten in New York, waar Hitchcock met Arthur Schatz een jonge fotograaf van LIFEMagazine inhuurde om stills te maken. De opdracht die Hitch hem gaf, was zo veel mogelijk hippiemodellen fotograferen en dan het liefst met blote borsten - kwestie van mee te zijn met de libertijnse wind die door de maatschappij waaide. Bovendien vroeg hij Schatz om in het geheim alvast enkele testopnames te maken met natuurlijk licht. Zelf schreef hij tussendoor een tweede versie van het script, maar dan zonder Levy, wiens conventionele ideeën hem dik tegenvielen. Aangezien Hitchcock - die zijn stiel nog in de jaren 10 en 20 had geleerd - gewoon was om alles in de studio te filmen, zorgde het vooruitzicht om met een onervaren cast in New Yorkse achtersteegjes te draaien voor evenveel opwinding als nervositeit. Om onnodige risico's te vermijden besloot Hitch om in de New Yorkse haven - waar de tweede moordscène uit zijn voorlopige script zich afspeelde - alvast enkele rushes zonder geluid te schieten. Het leverde één uur aan ruw testmateriaal op. Die proefopnames - met de werktitel 'Kaleidoscope' duidelijk leesbaar op de klapper - zouden pas na de dood van zijn vrouw Alma Reville in 1982 voor het eerst opduiken. Uiteindelijk werden ze overhandigd aan The Alfred Hitchcock Foun- dation om later onder meer te worden gebruikt voor de documentaires Reputations en Dial H for Hitchcock. Hoewel er van Kaleidoscope dus zowel beelden als brieven en scriptfragmenten bestaan, blijft het project een van Hitchcocks grootste mysteries. Behalve Arthur Schatz heeft men nooit nog iemand - zelfs geen acteur - kunnen opsporen die indertijd nauw bij het project betrokken was. Plus: qua vorm en inhoud was Kaleidoscope zo radicaal dat de vraag opdoemt waar Hitchcocks experimenteerdrift vandaan kwam. Het lijkt alsof hij op zijn 68e plots gezworen had om een film te maken die nog persoonlijker en innovatiever was dan Vertigo en Psycho. Het hele Kaleidoscope-verhaal ontkracht de mythe dat Hitchcock door zijn sterrenstatus boven of buiten het Hollywoodsysteem stond. Dat het project in het voorjaar van 1968 zonder pardon en ondanks zijn rigoureuze voorbereiding werd afgevoerd, kwam doordat MCA/Universal er niets wilde van weten. De uitzonderlijk en nooit eerder vertoonde copieuze dosis seks en geweld zat daar zeker voor iets tussen, maar dat was niet het enige wat de studio tegen de borst stuitte. Hitchcocks idee om het verhaal te vertellen vanuit het oogpunt van de psychopaat - die Willie Cooper zou heten - werd ten kantore MCA als commerciële zelfmoord afgedaan. De bonzen steigerden bij de gedachte dat Hitchcock zijn protagonist als een aantrekkelijke, homoseksuele jongeman zag. Meer nog: Hitchcock beschouwde zijn film als een 'donker liefdesverhaal', dat eindigt met een bloedige climax waarin Cooper verliefd wordt op een valse politieagente. Net als het gangsterdrama Bonnie & Clyde dat op dat moment in de zalen liep, zou Kaleidoscope dus de barrières inzake seks en geweld op een inhibitieloze manier hebben doorbroken. Voor Hitchcock was het trouwens ook een terugkeer geweest naar de duistere en dreigende psychologische thrillers die hij in de jaren 20 en 30 in Groot-Brittannië had gemaakt. 'Universal vond alles veel te lelijk', aldus filmhistoricus en Hitchcockconnaisseur Dan Auiler. 'De studio vreesde dat het de hele Hitchcockfranchise definitief zou moeten afvoeren. Ook Truffaut waarschuwde hem dat het expliciete geweld misschien van het goede te veel was. Voor het eerst in twintig jaar moest hij inbinden, nota bene bij de studio die hij als zijn thuishaven beschouwde. Die klap is hij nooit te boven gekomen.' Dat laatste bleek alvast uit Topaz, de Koude Oorlogthriller die Hitch in 1969 na de teloorgang van Kaleidoscope regisseerde om de studio te plezieren en zijn bankrekening te spekken. Zowel artistiek als kritisch en commercieel bleek Topaz de minste film uit zijn Amerikaanse cataloog. Uiteindelijk keerde hij definitief en volledig gedesillusioneerd terug naar zijn geboorteturf Engeland. Daar zou hij in 1972 nog één keer uithalen met het venijn van weleer: met de seriemoordenaarthriller Frenzy. Net als Kaleidoscope ging het om een grimmig, psychoseksueel getint verhaal over een verkrachter en een moordenaar, grotendeels op locatie gedraaid, maar dan wel in Londen. Geen wonder dus dat nogal wat filmhistorici Frenzy als een gekuiste versie van Kaleidoscope beschouwen. Nochtans zijn er meer verschillen dan gelijke-nissen. Zo baseerde Hitch zich voor Frenzy niet op een eigen scenario, maar op de misdaadroman Goodbye Piccadilly, Farewell Leicester Square van Arthur La Bern. Plus: met Kaleidoscope had hij een compromisloze véritéthriller voor ogen die zelfs de mei 68-generatie van angst en opwinding uit haar stoel zou doen wippen, en zeker geen klassiek gefilmd, meer modernistisch werk als Frenzy. Zou Kaleidoscope dan écht even vernieuwend en magistraal geworden zijn als Vertigo en Psycho? Of was het een wanhoopspoging van een oude suspensemeester om zijn publiek een laatste keer bij de strot te grijpen? Uw gok is even goed als de onze. DOOR DAVE MESTDACH