Oorlogsfilms schipperen veelal tussen antioorlogsretoriek, gewelddadig spektakel en soldatenmoed. Niet zo in Dalton Trumbo's Johnny Got His Gun uit 1971. Als de gitzwarte film al ergens tussen schippert, dan tussen horror en avant-garde. En tussen de herinneringen, fantasieën en dromen van Joe Bonham, een soldaat die in de Eerste Wereldoorlog gruwelijk gewond raakt en in het hospitaal gaandeweg ontdekt hoe weinig er van hem is overgebleven - als u de film nooit gezien hebt, kent u die beelden wellicht uit de videoclip van Metallica's One. Hallucinaties, gesprekken met Jezus (gespeeld door Donald Sutherland) en gewaagde ideeën over religie, euthanasie en democratie klitten samen tot een van alle geloof in de mensheid ontdane aanklacht tegen oorlogsgeweld. Met als kurkdroge eindnoot de cynische boodschap: 'War dead since 1914: over 80,000,000. Missing or mutilated: over 150,000,000. "Dulce et decorum est pro patria mori."' Een misplaatst gevoel voor romantiek, zo is Johnny, en mil...

Oorlogsfilms schipperen veelal tussen antioorlogsretoriek, gewelddadig spektakel en soldatenmoed. Niet zo in Dalton Trumbo's Johnny Got His Gun uit 1971. Als de gitzwarte film al ergens tussen schippert, dan tussen horror en avant-garde. En tussen de herinneringen, fantasieën en dromen van Joe Bonham, een soldaat die in de Eerste Wereldoorlog gruwelijk gewond raakt en in het hospitaal gaandeweg ontdekt hoe weinig er van hem is overgebleven - als u de film nooit gezien hebt, kent u die beelden wellicht uit de videoclip van Metallica's One. Hallucinaties, gesprekken met Jezus (gespeeld door Donald Sutherland) en gewaagde ideeën over religie, euthanasie en democratie klitten samen tot een van alle geloof in de mensheid ontdane aanklacht tegen oorlogsgeweld. Met als kurkdroge eindnoot de cynische boodschap: 'War dead since 1914: over 80,000,000. Missing or mutilated: over 150,000,000. "Dulce et decorum est pro patria mori."' Een misplaatst gevoel voor romantiek, zo is Johnny, en miljoenen soldaten met hem, dus aan zijn geweer gekomen. Niet toevallig verwijst de titel naar 'Johnny, get your gun', een vers uit Over There, een patriottisch nummer dat jonge Amerikanen opriep in dienst te gaan en 'the Hun' een poepje te laten ruiken. En misschien evenmin toevallig duurde het tot de jaren 70 en de protesten tegen de Vietnamoorlog voordat de pacifistische schrijver zijn troosteloze roman - die politiek gezien zelfs nog iets scherper is dan de film - kon vertalen naar het witte doek. HET BOEK, DAT VANDAAG VERPLICHTE lectuur is voor zowat elke Amerikaanse scholier, kende een vreemde geschiedenis. Twee dagen na het verschijnen vielen de nazi's Polen binnen. De roman werd in de lente van 1940 nog als feuilleton gepubliceerd in de communistische Daily Worker maar toen Hitler ook de Sovjet-Unie aanviel besloten auteur en uitgever het boek niet meer te herdrukken tot het einde van de oorlog. Trumbo was er niet mee opgezet dat hij daarop brieven kreeg van individuen die bepaald niet vriendelijk waren voor Joden en hem om exemplaren vroegen omdat ze zijn roman wilden aanhalen als een argument om onverwijld vrede te sluiten met de nazi's. Hij maakte die brieven over aan de FBI, die, tot ontzetting van de linkse schrijver, 'niet in de brieven maar in mij geïnteresseerd' was. Na 1945 werd Johnny Got His Gun voornamelijk nog door rode rakkers opgepikt. Dat zou zo blijven tot de Vietnamoorlog, toen Trumbo's werk plots relevanter dan ooit werd. Vietnamveteraan Ron Kovic, die met Born on the Fourth of July zijn eigen anti-oorlogspamflet schreef, noemde Trumbo's roman 'het meest revolutionaire en vlammende document tegen oorlog en onrecht dat ooit geschreven is'. Dat dacht Trumbo er zelf ook van. Zo liet hij zich ooit aan filmcriticus Roger Ebert ontvallen dat hij de filmrechten nooit verkocht had, zelfs niet toen hij in geldnood zat, omdat hij Johnny Got His Gun als zijn beste werk beschouwde. Filmaanbiedingen wimpelde hij steevast af met: 'Ik zie niet hoe je hier een film van kunt maken en ik ben nogal een specialist wanneer het erop aankomt films te maken van boeken. Dus als ik het niet kan, dan u zeker ook niet.' Trumbo was inderdaad een pro. Tegen het einde van WO II was hij een van Hollywoods best betaalde scenaristen. In 1953 won hij een Oscar voor het scenario van de Audrey Hepburn-romcom Roman Holiday en in 1957 een tweede voor Irving Rappers familiedrama The Brave One. Alleen jammer dat hij de beeldjes zelf niet kon ophalen, omdat hij als voormalig lid van de Communistische Partij toen al enkele jaren op Hollywoods zwarte lijst stond en zijn scenario's enkel nog onder pseudoniem verkocht kreeg. Trumbo had het in 1947 namelijk aangedurfd de vragen van het op communisten jagende House Un-American Activities Committee te beantwoorden met een flink 'dat zijn uw zaken niet'. De moedige schrijver mocht er een klein jaar voor brommen in Kentucky. Daarna ging het richting Mexico-Stad, waar de onvermoeibare Trumbo een dertigtal scripts pende onder valse namen. Liefst in bad, want daar schreef hij graag. Zijn officiële terugkeer naar Hollywood kwam er in 1960, met Otto Premingers zionistische epos Exodus. Preminger vroeg Trumbo omdat hij een vakman nodig had om in drie weken tijd een 390 personages tellend boek om te vormen tot een werkbaar scenario, maar was man genoeg om openlijk te verklaren wie dat werk voor hem deed. Kirk Douglas deed daarop voor het Romeinse slavenepos Spartacus (1960), waarin de onderdrukten zich verenigen tegen de kapitalistische powers that be, hetzelfde en luidde daarmee het einde van de communistenblacklist in. Trumbo mocht weer onder zijn eigen naam schrijven en begon op vraag van Luis Buñuel zelf aan een scenario voor Johnny Got His Gun. Maar tegen dat het klaar was, zat de producent zonder geld en was de Spaanse regisseur failliet terug naar zijn thuisland getrokken. Trumbo regisseerde 'het verdomde ding' dan maar zelf. En gelukkig maar. VOLGENDE WEEK KOMISSARDOOR SAM DE WILDE