John le Carré debuteerde in 1961 met de vrij eenvoudige spionageroman Call for the dead. Maar het was pas twee jaar later dat hij écht uitpakte, met The Spy Who Came in from the Cold (vertaald als Spion aan de Muur), een van de beste spionageromans ooit. De sobere antiheld en zachtmoedige horendrager George Smiley (die ook al de hoofdrol speelde in Call for the dead) was de tegenpool van James Bond. Het waren geen bloedmooie vrouwen die het pad van de spion kruisten, wel grauwe bureaucraten die veldwerkers lastigvielen met kostendeclaraties. Met The Spy Who Came in from the Cold - dat verfi...

John le Carré debuteerde in 1961 met de vrij eenvoudige spionageroman Call for the dead. Maar het was pas twee jaar later dat hij écht uitpakte, met The Spy Who Came in from the Cold (vertaald als Spion aan de Muur), een van de beste spionageromans ooit. De sobere antiheld en zachtmoedige horendrager George Smiley (die ook al de hoofdrol speelde in Call for the dead) was de tegenpool van James Bond. Het waren geen bloedmooie vrouwen die het pad van de spion kruisten, wel grauwe bureaucraten die veldwerkers lastigvielen met kostendeclaraties. Met The Spy Who Came in from the Cold - dat verfilmd werd met Richard Burton in de hoofdrol - groeide le Carré zonder overdrijven uit tot de belangrijkste romancier van de Koude Oorlog. De Brit Smiley en Karla, zijn Russische antithesis, werden de iconen van die periode en le Carré zou voor de woordenschat zorgen: het 'circus' voor de Britse Inlichtingendienst, 'mollen' voor verraders, de 'neven' voor de collega's uit Amerika. Toen de Koude Oorlog voorbij was, werd le Carré echter niet werkloos. Er waren genoeg andere conflicten in de wereld om over te schrijven. De strijd tussen Israël en de Palestijnen bijvoorbeeld in The Little Drummer Girl ( DeLokvogel), het verhaal van een Amerikaanse actrice in Engeland die door de Israëlische Mossad overtuigd wordt om voor hen te spioneren, ondanks haar sympathie voor de Palestijnen. De roman werd verfilmd met Diane Keaton, Klaus Kinski én le Carré zelf, die eventjes opduikt onder zijn echte naam, David Cornwell. Het eveneens verfilmde The Constant Gardener ( De toegewijde tuinier) is een van zijn opvallendste romans van de afgelopen jaren, een felle aanklacht tegen de almachtige farmaceutische industrie die in Afrika schatten verdient met experimenten waarvan de arme inwoners de slachtoffers zijn. Le Carré had het al laten verstaan na de glasnost: nu we het communisme verslagen hebben, is het tijd om het kapitalisme aan te pakken. Achter zijn meest recente thrillers stond dan ook een boze, maar steeds beheerste auteur. Zoals in Absolute Friends, over hoe duistere Amerikaanse oliejongens Duitsland achter de 'War on Terror' trachten te krijgen door een terroristische aanslag in elkaar te steken. Of in The Mission Song, dat weer in Afrika gesitueerd was en de schraapzucht van multi- nationals aan de kaak stelde. Met zijn nieuwe boek A Most Wanted Man ( Aangeschoten Wild) zitten we in Hamburg, de plek waar le Carré even Brits consul was. De jonge Tsjetsjeen Issa belandt illegaal in de stad en juriste Annabel, die voor een organisatie werkt die asielzoekers bijstaat, trekt zich zijn lot persoonlijk aan. Issa heeft een vodje papier bij zich waaruit blijkt dat hij contact moet zoeken met private banker Brue, omdat er een fortuin op hem ligt te wachten. Maar de Duitse inlichtingendiensten ruiken onraad: een duistere illegale moslim op wie een fortuin wacht, dat moet met terrorisme te maken hebben. Ook de Britten en de Amerikanen bemoeien zich met de zaak en lang blijft duister wie liegt en wie de waarheid spreekt. Is de eenzame asielzoeker het slachtoffer van de grote politiek? Le Carré, 77, schrijft literair en moreel gedreven in mooie volzinnen over loyauteit, verraad, macht. En liefde intijden van angst. Aangeschoten wildis net verschenen bij Luitingh-Sijthoff.In oktober worden ook specialefilmedities uitgebracht van Spion aande Muur en De Lokvogel, met extrainformatie over de verfilming. Fred Braeckman