Een talentvolle muzikant trekt zich terug uit de muziek, zoekt het in het schrijven van teksten, maar belandt na vijftien jaar opnieuw in de platenbakken. Dames en heren, een monument: Marc Moulin. Door Eddy Hendrix

Marc Moulin. ‘Top Secret’, Blue Note, uit sinds 24/9

‘Top Secret’ is een trip, uw eigen Voyage Au Bout De La Nuit?

Marc Moulin: Precies. Maar vooral een tocht door mijn eigen binnenste. Ik heb een verkennertje in mijn hersens losgelaten, zoiets als die Pathfinder op Mars, om een round-up te maken van wat er zich allemaal in bevindt en beweegt. Bovendien heb ik heel mijn oeuvre doorgeworsteld, naar aanleiding van de reissues die er zijn geweest, zowel van het werk van Telex, als van dat van Placebo. Een platenbons vroeg me of ik een album wou maken dat een synthese van mijn volledige repertoire zou zijn. Moeilijk, want ik heb die platen met verschillende intenties gemaakt, en uiteenlopende muziekstijlen uitgeprobeerd. Het was dus werkelijk een trip voor mij, unefusion intérieure.

Je zoon Denis was studiotechnicus bij de opnames. Was het de eerste keer dat je met hem werkte?

Moulin: Ja. Ik heb hem vroeger zelf de muziek ingeduwd. Hij is een heel goede bassist, maar is eigenlijk geluidstechnicus. Hij woont en werkt in Frankrijk. Af en toe klust hij bij in België. Zo heeft hij het tweede album van Laïs mogen doen.

De stem op de plaat is van een zekere Christa. De manier waarop ze zingt, maakt van haar stem een supplementair muziekinstrument. Wie is zij eigenlijk?

Moulin: Ik heb haar ontdekt toen ik in de jury zat van de talentenjacht Pour La Gloire. Ze werd tweede. Ik heb haar meteen gevraagd om met mij te werken, waar ze enigszins aarzelend op ingegaan is. Ze heeft haar rol in het concept perfect vervuld. Ik heb ook iedereen de ruimte gegeven om te improviseren. Mijn functie was de selectie achteraf. Zo is het nummer Théo een volledige improvisatie van Johan Vandendriessche. Hij heeft mijn plannen voor dat nummer totaal onderuitgehaald.

Naast Johan spelen nog twee Vlamingen mee, Bert Joris en Bart Maris.

Moulin: Bart Maris kende ik niet zo goed, alleen van zijn werk bij dEUS en van zijn aftitelingen. Met Bert Joris had ik al gewerkt. Hij heeft veel verdiensten in de jazzsector. Maar het is toch Johan Vandendriessche voor wie ik een grenzeloze bewondering heb, een ongelofelijke muzikant, die een stuk of vijftien instrumenten beheerst. Hij is het die de plaat tot leven gebracht heeft.

Dus niet uw jarenlange kompaan Philip Catherine was de tweede Président-Fondateur van ‘Top Secret’?

Moulin: Neen. Ik wilde Philip erbij, puur uit vriendschap. Maar ik wou hem niet te veel lastigvallen met mijn plaat.Toen hij kwam inspelen, was het album nagenoeg af. Op het eerste nummer hoor je hem op de ritmegitaar. Voor een man van zijn klasse is dat ridicuul, maar ik wilde zijn symbolische aanwezigheid. We stonden destijds samen aan de wieg van de jazzrock. Hij moest mee op mijn trip.

Het is voor velen een verrassing dat Marc Moulin een nieuwe plaat uit heeft, want de voorbije jaren hebben we weinig van je gehoord. Wat heb je zoal gedaan?

Moulin: Mij uit de muziek teruggetrokken en andere fijne dingen ontdekt. Ik heb twee theaterstukken geschreven, die ook zijn opgevoerd. Ik was journalist bij Télémoustique, al heeft dat niet lang geduurd. Maar ik heb de voorbije tien jaar meer plezier beleefd aan het schrijven van teksten dan aan het schrijven van muziek, wat ik occasioneel nog wel voor anderen ben blijven doen. Op een gegeven moment was ik overladen met muziek. Ik ben lange tijd presentator en samensteller van muziekprogramma’s voor de radio geweest, en daarbovenop ook nog muzikant. In 1986 had ik er genoeg van. Ik consumeerde 50 platen per dag en had geen tijd om die dingen te beluisteren die ik altijd goed gevonden had. Ik besefte dat ik een afkeer zou krijgen van muziek, mocht ik er niet onmiddellijk mee stoppen. Ik ben toen begonnen met humorprogramma’s, waarvoor ik mijn eerste scenario’s heb geschreven. Mijn ouders zijn allebei schrijvers. Mijn moeder vooral van poëzie, vader publiceert over sociologie en geschiedenis. Dus ik dacht, als ik de zoon ben van twee auteurs, dan moet er toch iets van hun talent in mij schuilen. Ik heb dat pas laat ontdekt, misschien omdat ik voordien faalangst had.

En dan, ondanks die nieuwe liefde, toch weer met de oude gaan flirten.

Moulin: Het aanbod om een cd voor het legendarische Blue Note-label te maken, veeg je niet zomaar van tafel. Ik kreeg bovendien de garantie dat ik in alle vrijheid mocht werken. Toen is het toch beginnen te kriebelen. Ik was weg van de muziek van Us3, ook op Blue Note uitgebracht. Het label had begrepen dat jazz opnieuw naar de basis moest, naar de straat, naar de discotheek, waar gedanst wordt. Alle aandacht ging opnieuw naar de entertainmentfactor van jazz, niet naar het intellectualistische facet. Dat stond mij wel aan. En ook de herwaardering van de toetsenisten natuurlijk.

Ik vermoed dat in verband met ‘Top Secret’ de naam St. Germain vaak is gevallen, want het heeft er muzikaal wel erg dichtbij gelegen. Stoort je dat? Want uiteindelijk deed je 30 jaar geleden met Placebo al iets soortgelijks.

Moulin: Ik word met St.Germain om de oren geslagen, ja. Ik ben twee jaar geleden aan dit album begonnen, en tweederde ervan was al klaar, toen ik voor het eerst van St.Germain hoorde. Twee van de composities dateren zelfs van 1991. Vroeger zou ik me mateloos hebben geërgerd aan het feit dat iemand anders met de eer ging lopen, maar nu niet meer. Ik zie er de goede kant van in. St.Germain heeft veel deuren geopend, en brengt een type muziek op de radio, dat lang uitgesloten geweest is. Het is inderdaad fascinerend dat St.Germain, met zijn uitgebreide, chaotische en ingewikkelde composities, moeiteloos strak geformatteerde radiostations haalt. Want in deze tijd zijn de meeste, zo niet alle zenders, nog altijd gefocust op liedjes met drie strofes en een refrein.

Je kent radio door en door, je bent beroemd vanwege minstens twee radiomonumenten: ‘King Kong’ en ‘Radio Cité’.

Moulin:King Kong was een dagelijks, vier uur durend programma op de RTB. We noemden het zelf onze expressie van de tegencultuur. Een modewoord toen. Het was een magazine, vrij underground, met veel alternatieve muziek. In die tijd, eind de jaren ’70, begin de jaren ’80, waren er maar een drietal Franstalige zenders, de RTB had een monopolie. Dus konden we ons uitleven in rock en pop en alternatief spul, zij het wel alleen ’s avonds. Veel van die undergroundplaten, die we toen maar na tien uur durfden te spelen, zijn inmiddels gemeengoed geworden.

Radio Cité stoelde op een ander idee. Ik heb die zender enigszins intuïtief opgericht, ik wilde weekendradio met een ronder, warmer geluid, met meer bassen en met meer ritme. De klank van een album stond me daarbij voor ogen: Manifesto van Roxy Music. Wat een plaat, een keerpunt in de ontwikkeling van de klank. Die heeft zich doorgezet in de wave, vooral in Groot-Brittannië. Nadien volgde de escalatie met de synthpop. Dat is de basis geweest van Radio Cité. Na enkele jaren zijn de privé-zenders gekomen, en die hebben ons schaamteloos gekopieerd. Dat was voor mij het einde van de droom.

Mogen we ‘Radio Cité’ als de voorloper van ‘Radio 21’ en ‘Studio Brussel’ beschouwen?

Moulin: Dat zeggen mijn Vlaamse vrienden me toch. We kregen destijds veel feedback van Vlaamse luisteraars en radiomakers, die zelf ook op zoek waren naar een modernere, actuelere vorm van radio.

In Vlaanderen heb je nog altijd meer erkenning als radiomaker dan als muzikant. Zowel liefhebbers als professionals spreken nog altijd in lyrische termen over ‘Radio Cité’ en ‘King Kong’.

Moulin: Daar ben ik me van bewust, en dat vind ik ook prima.

Terwijl de muzikant Marc Moulin lange tijd beschouwd is als een van de drie narrige stripfiguren die deel uitmaakten van het in schreeuwerige kleuren gehulde Telex, een groep die bovendien als een gimmick naar het Eurovisiesongfestival gestuurd werd. Qua credibiliteit zat het niet goed. Nu, bijna twintig jaar later, blijkt dat Telex een pioniersrol vervuld heeft in de ontwikkeling van de elektropop.

Moulin: Dat is inderdaad een vreemde gang van zaken geweest. Maar laten we de geschiedenis niet herschrijven, de pioniers van de elektro zijn Kraftwerk. Zonder discussie. Wij zijn nadien gekomen, samen met Yello en het Japanse Yellow Magic Orchestra. Natuurlijk had Telex een gimmick-zijde. Sommige songs waren pure gag en parodie, maar er waren er ook die muzikaal echt wel iets voorstelden, en die nu als referentiepunt opgevoerd worden, zowel door de pers als door andere artiesten. Misschien heeft het gimmick-facet de rest van ons repertoire overschaduwd. Dat hebben we dan alleen maar onszelf te verwijten.

Na een periode van muzikale ascese sta je nu dus opnieuw in de muziek?

Moulin: Ja, ik luister weer graag naar nieuwe muziek. Toen ik stopte met Radio Cité heb ik alle platenmaatschappijen gevraagd mij niets meer te bezorgen. Ik stond erop dat ik weer zélf een en ander op de radio zou ontdekken, en desgevallend in de winkel zou kopen. Heerlijk. Het is me ook veel duidelijker geworden wat de platen van mijn leven zijn, de platen die ik keer op keer wil beluisteren. Net zoals er enkele boeken zijn die je twee keer leest. Dat is toch veel fundamenteler dan het machinaal verzamelen en opstapelen van massa’s nieuwe cd’s.

Wat zijn dan die kostbaarste platen voor je?

Moulin: Die moet je vooral in de jazz gaan zoeken, en liefst die van de jaren ’50 en ’60. Kind Of Blue van Miles Davis. Ook zijn serie met het orkest van Gil Evans, Miles Ahead en Porgy & Bess. Qua eigentijdse muziek, en dat kan banaal klinken, houd ik enorm van Sade. Voor mij is ze de grootste artieste van het moment. Ze heeft dit jaar weer een cd uitgebracht, Lovers Rock, een heel intellectueel album, maar ook hoogst emotioneel, gedragen door een haast onaardse finesse. Ik constateer met droefheid dat ik vooral fan ben van artiesten die dood zijn, maar zij is de uitzondering.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content