1968 Pillen in purper

Mei '68 is volledig aan mij voorbijgegaan, maar muzikaal was dat wel een sleuteljaar in mijn leven. Ik kwam voor het eerst in contact met een akoestische gitaar die ik op zolder vond, en later dat jaar zag ik vanaf een Flandriaboot een man in purperen pak die een elektrische gitaar in zijn handen hield. In die periode heb ik ook het album De Purperen Pillen van Jommeke gelezen, wat óók een ongelooflijke indruk op me heeft nagelaten (lacht). Popmuziek was een schaars goed op de televisie, eind jaren zestig. Op de BRT had je toen een programma waar Pete Seeger in voorkwam, een Amerikaanse protestzanger die folkliedjes bracht. Ik herinner me ook nog beelden van zanger-gitaristen die in een halve cirkel We Shall Overcome zongen. Die beelden fascineerden me toch - mijn ouders stimuleerden me ook in die interesse. Mijn vader leerde me de eerste akkoorden aan: hij was bij de scouts een succesvolle entertainer op gitaar geweest. Van in het begin schreef ik zélf songs - in krom Engels weliswaar - en ieder nieuw akkoord inspireerde me telkens tot een hoop ...

Mei '68 is volledig aan mij voorbijgegaan, maar muzikaal was dat wel een sleuteljaar in mijn leven. Ik kwam voor het eerst in contact met een akoestische gitaar die ik op zolder vond, en later dat jaar zag ik vanaf een Flandriaboot een man in purperen pak die een elektrische gitaar in zijn handen hield. In die periode heb ik ook het album De Purperen Pillen van Jommeke gelezen, wat óók een ongelooflijke indruk op me heeft nagelaten (lacht). Popmuziek was een schaars goed op de televisie, eind jaren zestig. Op de BRT had je toen een programma waar Pete Seeger in voorkwam, een Amerikaanse protestzanger die folkliedjes bracht. Ik herinner me ook nog beelden van zanger-gitaristen die in een halve cirkel We Shall Overcome zongen. Die beelden fascineerden me toch - mijn ouders stimuleerden me ook in die interesse. Mijn vader leerde me de eerste akkoorden aan: hij was bij de scouts een succesvolle entertainer op gitaar geweest. Van in het begin schreef ik zélf songs - in krom Engels weliswaar - en ieder nieuw akkoord inspireerde me telkens tot een hoop eigen nummers. Helaas nooit opgenomen, en belangrijker: nooit onthouden. Met Beri-Beri waren we vanaf dag één ernstig bezig met muziek - we waren de Boechout-Beatles! Onze songs kregen titels mee als Postbode en Hondje: héél goede nummers. We hadden ook een coldwaveperiode met songs als Chinese Metro. Er valt nog best een fijne bloemlezing te maken van ons werk (lacht). We hengelden toen al naar een platencontract. Naïef? Dat weet ik niet, want uiteindelijk zijn Bart (Peeters; nvdr.), Hugo (Matthysen; nvdr.) en ik toch aan dat platencontract geraakt. Alleen niet samen. De combinatie van alle leden in Beri-Beri was namelijk dodelijk: we wilden allemaal anders klinken. Daardoor was ons repertoire een hybride mix van elke invloed die ooit was komen aanwaaien. Je kunt je echter geen betere leerschool indenken dan een groep waar je élke stijl onder de knie moest hebben. Pas toen we elk ons weegs gingen, viel alles in de juiste plooi: Hugo met de Bomen, Bart met The Radios en ik met Soulsister. Toen Polle Pap en ik een groep oprichtten, kenden we elkaar amper. Tussen ons was er niéts, behalve een puur instinctieve muzikale herkenning. Hij vond mij maar een rare met mijn Buddy Holly-bril. We wisten echter goed dat we allebei iets hadden, en als dat samen kwam, zouden we het nog ver schoppen. We werden The Soul Sisters tot Like A Mountain. Daarna Soulsister, dáárna Leyers, Michiels & Soulsister. Ineens was ik het beu: het leven is te kort om drie dagen onderweg te zijn naar Madrid en daar een single te playbacken op de Spaanse televisie. Ik had het allemaal wel gezien. Voor tv-werk zit ik nu ook in Madrid of in Plovdiv, maar daar ben ik dan wél van 's morgens tot 's avonds bezig met iets dat ik graag doe. Onlangs luisterde ik nog eens naar het album van My Velma (de rockgroep die Leyers met Filip Cauwelier van 't Hof Van Commerce had na Soulsister; nvdr.) en ik vind dat nog steeds een erg goede plaat. Maar we kregen geen respons. Dat heeft mij verstomd doen staan. Ik maakte toen de noodlottige vergissing te veronderstellen dat iedereen Soulsister zou vergeten en My Velma omarmen. Maar het was zoals David Bowie met Tin Machine. Iedereen zei toen ook: 'Allé Bowie, zever eens niet. Je moet niet pretenderen Bowie niét te zijn'. Ik leefde ook met die illusie om in een groep te kunnen verdwijnen. Nu speel ik onder mijn eigen naam opnieuw nummers van Soulsister: het is een deel van mijn verleden, begraven hoeft niet en afschudden kun je niet. Geen enkele vezel in mijn lijf had ambitie om televisiewerk te doen. Toen de VRT mij belde maakte ik ze er dan ook vriendelijk op attent dat ze een schromelijke vergissing begingen: ik had in mijn hele leven nog nooit iemand geïnterviewd, en zeker niet in het Algemeen Nederlands. 'Dat komt in orde. Vertrouw ons', zeiden ze, maar ik wilde er wel drie nachten over slapen. Tien minuten later las mijn vrouw me echter de les: 'Wat weet je méér over drie dagen? Leer nu toch eens gewoon ja te zeggen.' Ik luister altijd naar mijn vrouw. Wat me opvalt, is dat de sleutelmomenten in mijn leven vaak eindigen op acht. Toen ik tien, twintig, dertig en veertig jaar werd, was het blijkbaar tijd voor een verandering. Ik heb ook een vrij bizarre relatie met dat cijfer - toen de partituur van Way To Your Heart afgestempeld teruggestuurd kwam van SABAM was de datum 8 augustus - 8/8/88 dus. Misschien is het cijfer acht wel een kabbalistische rode draad in mijn leven (lacht). De Schaduw van het Kruis was het eerste programma dat ik zelf mee bedacht - een motortocht in de voetsporen van Godfried van Bouillon die me door de Balkan, Turkije, Syrië en Libanon naar Israël voerde: dat viel precies samen met wat ik wilde doen, en met wie ikzelf ben eigenlijk. Ik bekijk dat programma als een van mijn knapste verwezenlijkingen. Dit wordt het jaar waarin eindelijk een groot misverstand de wereld wordt uitgeholpen: dat ik onsportief zou zijn. Voor Sporza presenteer ik elke avond van op het dak van Hotel Titania in Athene een talkshow over de Olympische Spelen. Ik ben trouwens een geboren atleet - hoewel ik dat niet onderhoud of train. Ik was een goeie sjotter, maar ik ben gestopt toen muziek de boventoon begon te halen. Die twee bioritmen kun je niet met elkaar verzoenen. Mijn hart kan op twee minuten van 180 naar 90 slagen per minuut, wat volgens mijn kinesist een aanleg tot grote prestaties verraadt (lacht). Alleen is het nu een beetje laat om daar alsnog iets mee aan te vangen, vrees ik. DOOR GUNTER VAN ASSCHE FOTO CHARLIE DE KEERSMAECKER