Gaspar Noé, met Monica Belluci, Vincent Cassel, Albert Dupontel, Philippe Nahon, Jo Prestia.
...

Gaspar Noé, met Monica Belluci, Vincent Cassel, Albert Dupontel, Philippe Nahon, Jo Prestia. Goed nieuws voor wie vreesde dat film een van zijn meest unieke maar ook uitermate zeldzame gaven had verloren: het vermogen om de toeschouwer te schokken en fors door elkaar te schudden.Met Irréversible gaat Gaspar Noé nog een stapje verder dan in zijn eerste lange speelfilm Seul contre tous. Zelfs voor wie tegen een stootje kan, bevat dit verhaal over een man die achter de verkrachter van zijn geliefde aangaat een aantal taferelen die een grote weerbaarheid vereisen. De tergend lange scène waarin Monica Belluci in een voetgangerstunnel langdurig wordt gesodomiseerd en de beelden waarin de dader met een brandblusapparaat de schedel wordt ingeslagen, zijn kop vervolgens letterlijk tot moes wordt verpulverd, zorgden in Cannes al voor de nodige consternatie. Toch is het geweld allesbehalve gratuit in Irréversible, maar zit het integendeel ingebed in een ijzersterke, dwingende structuur en is het onlosmakelijk verbonden met het gitzwarte wereldbeeld van Noé, dat in het verlengde ligt van de duistere visie van enkele beroemde onheilsprofeten uit de Franse literatuur: Genet, Bataille, Céline. Irréversible is opgebouwd als één lange reis naar het einde van de nacht. Het achterstevoren vertellen van deze geschiedenis is geen loze gimmick, maar maakt de onafwendbaarheid van het lot bijna onuitstaanbaar. Noé zet de causaliteit op zijn kop en laat de film omgekeerd evolueren van een helse uitbarsting in een schimmige SM-homo dark room naar een paradijselijk geluk op een zonovergoten grasperk; van een verstikkende duisternis naar een verblindend licht; van anale naar vaginale gerichtheid; van uitzinnig geweld tot aandoenlijke tederheid en intimiteit (dat laatste nog versterkt door het feit dat Cassel en Belluci ook in het echte leven een stel vormen). Al deze contrasten krijgen extreem vorm dankzij een gedurfde conceptuele mise-en-scène, die alle verhoudingen in acht genomen nog het best kan worden vergeleken met Stanley Kubrick, aan wiens wedergeboortethematiek in 2001: A Space Odyssey ook letterlijk gerefereerd wordt. De film lijkt uit een aantal strakke 'blokken' te bestaan, liefst gevat in één lange onafgebroken camerabeweging. De eerste 'plan-séquence' van Irréversible slingert ons in de complete chaos. De beeldtaal is volstrekt 'onleesbaar': we zien nauwelijks wat er in de spelonken van 'Le Rectum' (voor subtiele symboliek bent u aan het verkeerde adres) allemaal gebeurt, de kantelende camera baant zich koortsachtig een weg in een duister labyrint van pure animale lust terwijl de soundtrack beukt van de kreten van haat en verrukking. Naarmate de film vordert, komt de camera tot rust, wordt de geluidsband (van Daft Punker Thomas Bangalter) minder agressief, verdwijnt de walging, worden de gevoelens zachtaardiger om te eindigen in een finale (in feite een begin) van volmaakte harmonie op de sublieme tonen van Beethovens Zevende Symfonie. Patrick Duynslaegher