Blow, blow, thou winter wind. Op de tochtige kaaien die the River Liffey in sierlijke bochten door het hart van Dublin loodsen, kondigt zich een gure storm aan wanneer we de warmte van The Clarence Hotel opzoeken. Gavin Friday (48) zit er in een gerieflijke fauteuil van zijn koffie te slurpen. Of we ook een kop willen, vraagt hij. 'En neem er gerust een whisky bij, ik betaal hier toch haast nooit mijn rekening.' Hij meent het nog ook, want even later heffen we het glas op Bono en The Edge, behalve jeugdvrienden van Friday ook de eigenaars van The Clarence Hotel.
...

Blow, blow, thou winter wind. Op de tochtige kaaien die the River Liffey in sierlijke bochten door het hart van Dublin loodsen, kondigt zich een gure storm aan wanneer we de warmte van The Clarence Hotel opzoeken. Gavin Friday (48) zit er in een gerieflijke fauteuil van zijn koffie te slurpen. Of we ook een kop willen, vraagt hij. 'En neem er gerust een whisky bij, ik betaal hier toch haast nooit mijn rekening.' Hij meent het nog ook, want even later heffen we het glas op Bono en The Edge, behalve jeugdvrienden van Friday ook de eigenaars van The Clarence Hotel. 'Bono en ik zijn in dezelfde straat opgegroeid. The Edge woonde een paar blokken verderop. Samen met Guggi, die later deel zou gaan uitmaken van de Virgin Prunes, hebben we hier in de jaren 70 een commune opgericht, Lipton Village. En omdat het nu eenmaal gebruikelijk was in die tijd, vonden we voor elkaar artiestennamen uit. Zo noemden ze mij Gavin Friday in plaats van Fionnáin Hanvey en gaf ik Paul Hewson de naam 'Bono Vox of O'Connell Street', wat dus later gewoon Bono werd.' Zo snibbig en kortaf als Friday was tijdens het mailverkeer dat voorafging aan ons interview, zo breedvoerig en aanstekelijk enthousiast blijkt hij in het echt te zijn. Zeker wanneer blijkt dat we enkele levenswijsheden van William Shakespeare naar Dublin hebben meegebracht. Gavin Friday: Vóór ik mijn medewerking aan Nothing Like The Sun toezegde, voelde ik eerlijk gezegd niks dan weerzin voor het werk van Shakespeare. Hier in Ierland zweren we bij James Joyce en Oscar Wilde. Van Shakespeare houden is not done, gewoon omdat hij een baldy fuckin' Brit was. Maar het idee om zijn volledige oeuvre op de planken te brengen, kwam van Her Majesty The Queen herself. Je begrijpt dat ik onmogelijk kon weigeren (grijnst). Nee, eigenlijk heb ik gewoon meegedaan omdat ik allang eens wilde samenwerken met de coördinator van Nothing Like The Sun, jazzmusicus Gavin Bryars. Toen ik hoorde dat ook Natalie Merchant van 10.000 Maniacs, Antony van Antony & The Johnsons en Liz Fraser van Cocteau Twins meededen, heb ik de knoop doorgehakt en ben ik met de moed der wanhoop The Complete Works of William Shakespeare gaan kopen. Nog geen moment spijt van gehad trouwens: the man is a fuckin' genius!A Midsummer Night's Dream, Act I, Scene I, 234 Friday: De sonnetten van Shakespeare zijn erg dankbaar om op muziek te zetten omdat ze dankzij hun muzikaliteit en ritmiek al bijna liedjesteksten zijn. Als je er even bij stilstaat is Shakespeare misschien wel de belangrijkste songwriter aller tijden (lacht). Dat ik vroeger weinig ophad met zijn werk, heeft wellicht alles met mijn gebrek aan maturiteit te maken. Zijn sonnetten behandelen de liefde in al zijn complexiteit en als tiener of twintiger ben je daar gewoon niet ontvankelijk voor. Dertig jaar geleden wist ik zo goed als niets van De Liefde af. Ik liep zowat permanent met een stijve rond en werd alleen maar verliefd op types die er gewillig uitzagen. Dertig jaar later, nu erecties niet meer zo vanzelfsprekend zijn, weet ik dat de liefde niet alléén om seks draait. Al heb ik sinds mijn scheiding enkele jaren geleden tot mijn scha en schande gemerkt dat het belang van seks wel eens durft toenemen in tijden van gebrek aan liefde. Ik maak mezelf bijvoorbeeld wijs dat ik als rijpe man alleen nog in soulmates geïnteresseerd ben, maar af en toe word ik na een avond zuipen toch nog wakker naast een niet zo verwante ziel (lacht). Maar Shakespeare heeft gelijk: ware liefde zit tussen je oren, niet tussen je benen. Hamlet; Act I, Scene III, 68 Friday: Volgens Shakespeare ben ik dus een idioot, want ik geef de mensen beide (lacht). Nee, serieus: dit is een raad die ab-so-luut opvolging verdient, maar zelf ben ik eigenlijk een ontzettende tetterkont, a talking volcano. Ik vrees dat ik mezelf gewoon graag hoor praten, maar dat zal wel eigen zijn aan artiesten, zeker? Iedereen die het lef heeft om voor een microfoon te gaan staan, moet zichzelf op z'n minst een beetje graag zien. IJdel vind ik mezelf niet, al ben ik natuurlijk met mijn uiterlijk begaan. Ik vind mezelf een gesofistikeerde dandy, maar sommige mensen zullen me wellicht percipiëren als een omhooggevallen, arty-farty aandachtszoeker. Die zin van Shakespeare slaat natuurlijk ook op de noodzakelijkheid van een gezond evenwicht in alle menselijke communicatie: wie nooit de moeite neemt om naar zijn medemens te luisteren, zal hem nooit begrijpen en zal altijd overtuigd blijven van het eigen grote gelijk. Kijk maar naar de troubles hier in Noord-Ierland, waaraan stilaan een einde lijkt te komen nu protestanten en katholieken eindelijk naar elkaar zijn gaan luisteren. Ik heb me altijd vreselijk gestoord aan die oorlog in Noord-Ierland, in se niet meer dan een opgeblazen symbolenstrijd van religieuze fanatici. Stop met grienen, fuckin' pricks, of ga in Irak eens kijken hoe het in een échte oorlog toegaat. King Lear; Act IV, Scene I, 36-37 Friday: Helemaal mee eens. Nu ja, eigenlijk zijn het de zelfverklaarde vertegenwoordigers van God die het In Zijn Naam op een moorden zetten. Zelf heb ik een streng katholieke opvoeding gehad, maar ik kwam er als jonge snaak in de jaren 70 al vroeg achter dat Ierland gebukt ging onder een religieuze dictatuur. Ik weet dat het een beetje dramatisch klinkt omdat de greep van het katholicisme hier niet zo zichtbaar was als bijvoorbeeld de greep van de islam op sommige landen in het Midden-Oosten, maar de katholieke kerk was hier in die dagen echt oppermachtig. Als tiener wilde ik niets liever dan kerken in brand steken. In het huidige klimaat klinkt het nogal beladen, maar ik wilde een terrorist zijn. Ten tijde van de Virgin Prunes waande ik me de Jezus van het atheïsme. Een verlosser, maar dan een die de mensheid van het katholicisme kwam verlossen. Toen we kapten met de Virgin Prunes en ik erachter kwam dat we weinig of niks bereikt hadden, voelde ik me zoals Jezus aan het kruis: een slachtoffer, verraden door de wereld. Hoewel ik mezelf ondertussen beschouw als een gelovige, is mijn haat tegenover het katholicisme nog altijd niet afgenomen. Op het Vaticaan na dan. Die theatrale beeldenpracht van het Vaticaan is in mijn ogen zo'n beetje de glamrock van de religieuze wereld (lacht). Twelfth Night; Act I, Scene I, 1-3 Friday: Er zijn maar weinig zaken in het leven die ik zo intens kan beleven als muziek. Ze vormt de onontbeerlijke soundtrack bij alle scharniermomenten uit mijn leven. En zo heb ik er de laatste jaren wel een paar meegemaakt. Ik ben gescheiden, heb een gevaarlijke rugoperatie en een paar zware ziektes overleefd en ik heb recent mijn vader begraven. Tijdens die moeilijke momenten heb ik me enorm kunnen optrekken aan muziek. Toen mijn vader een paar jaar geleden stierf, heeft de muziek van Mahler me erbovenop geholpen. Tranen met tuiten heb ik gehuild, maar die muziek bood me zoveel troost... onbeschrijfelijk gewoon. Muziek werkt als een drug: eens je eraan gehecht bent geraakt, kan je niet meer zonder. Die verzen uit Twelfth Night gáán in zekere zin ook over druggebruik, of althans over het excessief overcompenseren van een tegenslag. Als je het mij vraagt, zat die Shakespeare zelf ook serieus aan het spul. Kan niet anders (lacht). Julius Caesar; Act II, Scene II, 32-33 Friday: Ik weet niet of ik mezelf moedig of dapper mag noemen, maar ik ben in ieder geval nooit een watje geweest dat zich zomaar liet doen. Als kind ben ik altijd gepest omdat ik anders was, niet in de groep paste. In het begin had ik het daar kwaad mee, maar gaandeweg heb ik me daar op mijn eigen manier tegen verzet. Ik dacht: 'Als jullie me anders vinden, zal ik me eens écht anders gaan gedragen.' En dus liet ik me een oorbel schieten en begon ik Doc Martens te dragen en af en toe zelfs een rok of een jurk. Eigenlijk plaatste ik mezelf daarmee zo ver van hun leefwereld dat ze van de weeromstuit schrik van me kregen. Maar was dat moedig van me? Ik weet het niet, misschien trok ik gewoon een schild op. Net zoals Bono en ik een schild optrokken door in de jaren 70 Lipton Village op te richten, een soort commune waarin we ons lekker buiten de maatschappij plaatsten. We voelden ons vervreemd van de maatschappij, omdat we ons vervreemd wilden voelen, want we kickten op het wij-tegen-zijgevoel. Othello; Act II, Scene III, 379 Friday: Ik ben een zeer geduldig mens... geworden. Vroeger was ik op het beschamende af gulzig en ongeduldig. Vooral als muzikant heb ik geleerd om geduldig te zijn. Ik wacht de inspiratie af en maak pas een plaat als ik voel dat ik iets te vertellen heb. Weet je, ik heb in geen tien jaar meer een soloplaat uitgebracht. Maar onlangs zei ik tegen Hal Willner, die zo'n beetje mijn vaste producer is: 'Ik denk dat ik misschien weer klaar ben voor een nieuwe plaat.' Hij vond het van een ongelooflijk inzicht getuigen dat ik zei te denken dat ik misschien klaar was voor een nieuwe plaat. De meeste muzikanten vragen zich dat allang niet meer af. Ze maken heel werktuiglijk elke twee jaar een plaat en gaan ieder jaar weer op tournee, zonder zich ook maar een seconde af te vragen of ze wel iets wezenlijks mee te delen hebben. Hoeveel overbodige, flauwe platen worden er verdomme niet uitgebracht? Hebben de Stones de laatste dertig jaar nog één essentiële plaat gemaakt? Ik dacht het niet. Ze blijven hun discografie alleen maar uitbreiden om eindeloos te kunnen blijven toeren en elk jaar een triljoen dollar aan hun zo al bijzonder rijkelijke pensioen toe te voegen. Maar goed, zelf ben ik dus aan een nieuwe plaat bezig omdat ik de tijd er rijp voor acht. Ik heb al meer dan twintig songs klaar, maar heb nog geen idee hoe het uiteindelijke resultaat gaat klinken. Ik wíl het zelfs niet weten, het moet gewoon gebeuren. Ik vergelijk het met een kind verwachten: ik heb ook nooit het geslacht willen kennen vóór de geboorte. Wat ik wél al weet, is dat ik graag 50 euro zou willen vragen voor die plaat. Gewoon als reactie tegen de groeiende gratismentaliteit. Sorry hoor, mensen zijn bereid om op café twee euro te betalen voor een glas water, maar willen zo'n aalmoes niet eens afgeven voor een liedje op iTunes. Ze tellen zonder morren 50 euro neer voor een zoveelste variatie op hetzelfde vechtspelletje van Playstation, maar weigeren hetzelfde bedrag te geven aan een écht artistiek product. Fuck that! En fuck al de miljoenen hufters die de laatste plaat van Radiohead voor niks van het net hebben geplukt. Assholes, each and everyone of them!Hamlet; Act I, Scene III, 78 Friday: Dit sluit aan bij mijn scheldtirade tegen al die muzikale kapitalisten van daarnet. Ik vind integriteit, zowel persoonlijk als artistiek, héél belangrijk. Ik ben nu eenmaal een kind van de punkbeweging, toen 'Do it yourself' het credo was en artistieke onafhankelijkheid het allerhoogste goed. Ten tijde van de Virgin Prunes zat ik nog tjokvol idealen. Wij zouden eens aantonen dat we de wereld konden veranderen door muziek te maken zonder onze idealen te verloochenen! Alleen kwam ik er algauw achter dat muziek, zélfs als je er heel integer mee bezig bent, uiteindelijk toch gewoon fuckin' showbusiness blijft. (gniffelend) Grappig dat we met de Virgin Prunes indertijd tóch van commerciële hoererij beschuldigd werden. En dat allemaal vanwege één onnozel voorval. Na ons allereerste optreden werden we door de manager van The Clash gevraagd om hun voorprogramma te verzorgen. De tweede keer dat we op een podium stonden was dus al meteen voor een paar duizend man. Goed, we komen op en ik ga van de zenuwen compleet over de rooie. Ik begin daar te dansen als een gek, over het podium te rollen en van hot naar her te springen. Resultaat: het iets te strakke pak dat ik draag, scheurt op een gegeven moment helemaal open, waardoor mijn spel uit mijn broek floept. Uiteraard heb ik de rest van het optreden gedaan alsof dat allemaal part of the act was, maar daardoor vonden al die punkers ons dus gratuite nudisten (lacht). Uiteindelijk ben ik met de Virgin Prunes gestopt omdat ik enorm ontgoocheld was in de muziekindustrie en er zelfs een beetje van walgde. Als beginnende muzikant was Johnny Rotten mijn held geweest, maar op amper twee jaar tijd is hij een zielige vaudevilleact geworden. Toen besefte ik: zolang er van dat soort poseurs blijven rondlopen in het rockmilieu, zal muziek nooit de wereld veranderen. Alleen een naïeve, maar uiteraard ook zeer sympathieke mens als Bono blijft daar in geloven (lachje). Na de ontbinding van de Virgin Prunes heb ik hier een paar straten verder een cabaret geopend, The Blue Jaysus. Dat was mijn manier om radicaal te breken met mijn recente verleden en terug te keren naar de roots. Ik stortte mij op de muziek uit het interbellum, een tijdvak waarin nog muziek werd gemaakt for all the right reasons, en begon te dwepen met artiesten als Kurt Weill, Bertolt Brecht, Edith Piaf. Maar ook met Charles Aznavour, Serge Gainsbourg en Jacques Brel, chansonniers die wél altijd honderd procent authentiek gebleven zijn en wier werk altijd iets waarachtigs uitademde. Vooral Brel vind ik nog altijd de ultieme punker, omdat punk voor mij echtheid betekent. Ik heb jarenlang bijna uitsluitend naar Brel geluisterd. Van zijn teksten begrijp ik weinig tot niets en toch voel ik altijd waarover hij het heeft. De eerste keer Brel horen is een beetje zoals ontmaagd worden: vergeten kan je dat moment nooit. Eigenlijk wil ik al mijn hele leven dat ene moment herbeleven. Als fan van Brel wil ik hem en dus mijn eigen idealen trouw blijven en zweer ik nog steeds bij mijn artistieke integriteit. Ik heb er een zware financiële prijs voor betaald, maar ik kan tenminste met een zuiver geweten sterven. Door Vincent Byloo