‘IK HOU NIET VAN HAPKLAAR. IK KAUW LIEVER.’

De award voor het meest eigenzinnige Belgische debuut van 2012 mag ze al op haar schouw zetten. Een plaat met enkel viool en zang, zonder drums én met een live opgenomen plaspauze: die prijs kan Liesa Van der Aa echt niet meer ontglippen.

Een zondagnamiddag eind oktober. Andere Baustelle Studio, Wedding, Berlijn. Twee maanden heeft Liesa Van der Aa (25) op deze plek aan haar debuutplaat gewerkt. Lang geleden was dit een koetshuis, de laatste dertig jaar heeft het gebouw dienst gedaan als de home studio van Einstürzende Neubauten, pioniers van de industrial. Hoort bij het huis: Boris Wilsdorf, de vaste geluidstechnicus van de Neubauten, en voor deze plaat Van der Aas sparringpartner. Vandaag werken ze de finale mix van de plaat af, leggen ze de laatste accenten voor alles de deur uitgaat. Een laatste keer polijsten.

– ‘Kun je de crescendo van de reverb van de klavecimbel iets feller maken?’, hoor ik haar vragen.

– ‘Wacht even’, antwoordt hij. ‘Zo beter?’

Niet helemaal.

– ‘Die eerste twee seconden, kan dat nog heviger?’

– ‘Ik probeer.’

Terwijl Wilsdorf en Van der Aa op een computerscherm naarstig turen naar balkjes, lijnen en iets wat verdacht veel op een hartslagmeter lijkt, doe ik mijn best om de crescendo van de reverb van de klavecimbel te lokaliseren. Tevergeefs. Ik vraag me af of iemand buiten deze twee ooit de crescendo van de reverb van de klavecimbel kan lokaliseren, laat staan er een mening over heeft. (Voor wie het zelf wil proberen: het gaat om de outro van Troops, de titeltrack, heb ik me laten vertellen.)

‘Je weet wel precies wat je wilt, hé?’ vraag ik, als het euvel van de baan is.

‘Ik kan me verliezen in details, ja’, zegt Van der Aa. ‘Verfijnen: dat is mijn ding. Prutsen aan de kleine dingetjes tot ze juist klinken. Het heeft iets gestoords, haast maniakaals, hoe we hier met ons tweeën bezig zijn, maar dat was ook het opzet van deze plaat. Troops is een klankexperiment: daarin ligt de finesse.’

De omvang van het klankexperiment wordt pas geleidelijk aan duidelijk. De mandolines, overstuurde elektrische gitaren en elektronische soundscapes die ik tijdens de luistersessie denk te herkennen, blijken uitsluitend violen te zijn – op een occasionele piano en klavecimbel na. ‘Regel één voor we aan deze plaat begonnen: alles moest met viool zijn opgenomen. Regel twee: geen drums. Al moet ik bekennen dat we die tweede regel één keer met de voeten hebben getreden: op Louisa’s Bolero zijn cimbalen gebruikt. Achteraf gezien heb ik er spijt van: als ik ‘ksssh’ met een micro had opgenomen en daar de juiste effecten op had gezet, had ik zelf cimbaalgeluid kunnen maken. Jammer.’

Vragen naar waarom iemand überhaupt geen drums wil gebruiken, maar ze wel wil nabootsen, is overigens zinloos. ‘Drums mochten gewoon niet. Punt.’

DE VIOOL – EN DAN VOORAL DE veelzijdigheid van het instrument – moest centraal staan op Troops. Het is het instrument waarmee Van der Aa op haar vijfde begon. ‘Ik kan je verzekeren: een kind dat tussen zijn vijfde en tiende viool leert spelen, dat is een hel in huis. Op een piano kun je geen valse noten spelen. Op een viool wél.’ Op haar achttiende stond ze voor de keuze: aan het conservatorium klassieke viool studeren, met het risico in een orkestbak te eindigen, of haar eigen weg inslaan met het instrument. Het werd het tweede: de afdeling Kleinkunst aan de Studio Herman Teirlinck. ‘An Pierlé had Kleinkunst gedaan. Dat was mijn enige referentie. Een artieste die andere dingen deed met een piano dan andere pianisten.’ Misschien verklaart dat waarom ze een volledige plaat vol viool wil maken: om te bewijzen dat het instrument ook andere dingen kan.

‘In het tweede jaar Kleinkunst heb ik les gekregen van Pieter-Jan De Smet (aka PJDS, muzikant en producer, nvdr.). Een heel belangrijk persoon voor mij. Tot dan had ik vooral naar jazz en opera geluisterd. Hij kwam af met The Velvet Underground, Nico, Nick Cave, Elvis Presley. Zijn eerste les was: doe je ding en maak het tien keer zo groot. Ik denk dat ik dat met Troops wel heel letterlijk heb opgevat.’

Dat klopt. Voor een plaat met alleen maar viool klinkt Troops ontzettend groots en monumentaal. Rijk georkestreerd met stemmenharmonieën: soms heb je de indruk dat je naar een heel orkest zit te luisteren – inclusief koor. ‘Op één nummer hebben we 84 sporen gebruikt’, zegt Wilsdorf. ’84 verschillende opnames, over elkaar geplakt.’

‘Is dat normaal?’

‘Neen’, luidt het antwoord droog.

‘Soms is het zelfs een beetje dom: je hebt geen tienstemmige harmonieën nodig om een nummer goed te maken. Liesa is gewoon niet iemand die voor deze plaat in ‘less is more’ geloofde. Ze houdt van “té”.’

‘Boris moet me afremmen’, zegt Van der Aa. ‘Als ik nóg een harmonie of nóg een vioollijn wil, is hij degene die zegt: “Stop. Nu is het genoeg. Meer doen maakt het niet goed.” Terwijl ik dan denk: wat kan het mij schelen of het goed is. Ik vind het leuk. Op de radio zul je deze plaat niet horen, maar dat is niet wat ik wil. Ik ben geen singer-songwriter. Ik maak geen nummers. Ik denk in klanken en sferen.

‘Nu, soms luister ik naar Nick Cave en denk ik: misschien moet ik ook eens liedjes maken. Ik denk dat ik dat op de volgende plaat wil doen. Ik ga me alvast niet meer zo laten gaan.’

‘Vind jij het goed?’, vraagt ze me, voor het eerst wat onzeker. Ik antwoord dat het verrassend toegankelijk klinkt, voor een klankexperiment. Dat er onder de gelaagde orkestratie meer songs schuilen dan ze vermoedt – als een deconstructie van PJ Harvey en Nick Cave. Maar ook dat ze het zichzelf moeilijk heeft gemaakt. Dezelfde plaat met een piano en één viool wordt een commercieel succes – ze heeft de stem en de songs om een groot publiek te bereiken.

‘Dat geloof ik ook wel, maar het interesseert me niet’, reageert ze. ‘Het moet allemaal niet zo hapklaar zijn. Ik kauw liever.’

‘THE THINGS THAT CHASE ME

YOU’LL NEVER comprehend

Cause I’m a divine malcontent

I tried to stay, I tried to walk away

But I was born after judgement day.’

We luisteren naar Visitor. Een chaotisch Berlijns kinderkoor begeleidt Van der Aa in een bevreemdende meezinger. Midden in het nummer hoor je haar met de microfoon de kamer verlaten, het toilet bezoeken en weer binnenkomen bij de kinderen. Live op plaat. Ze lacht. ‘Voor alle duidelijkheid: het is een glas water dat je hoort klateren, niet mijn – euhm – plas. Björk heeft op haar debuut iets soortgelijks gedaan, en dat is me bijgebleven. Ik moest er altijd om lachen.’

Het is veruit het minst toegankelijke nummer van de plaat, maar het zegt veel over waar Liesa Van der Aa voor staat. ‘Je moet het zien als een brutale kinderlijke revolutie die eindigt op café. Waar iedereen blij, vrolijk en dronken is en in een zingen uitbarst. Dat is het beeld dat ik er bij heb.’

Er zit een theatraal, beeldend kantje aan haar muziek. Live brengt ze haar songs al jaren met een loop station, een echomachine die haar toelaat om haar eigen viool live te samplen en zo haar veelgelaagde geluid op het podium op te bouwen. Wie haar al aan het werk gezien heeft, weet dat het meer is dan een concert: het is een performance. ‘Dat contrast tussen dat ene meisje op het podium en het hele orkest dat je hoort, vond ik wel een mooi beeld’, zegt ze.

Geen toeval wellicht dat ze ook een andere carrière heeft. Haar naam mag dan nog niet zo bekend zijn bij het grote publiek, in de theaterwereld is ze een rijzende ster. Ze speelde mee in Hugo Matthysens Ketnetreeks Zingaburia en stond op het podium met Olympique Dramatique en FC Bergman, de meest bewierookte gezelschappen van de laatste jaren. Een paar dagen na de finale mix zal ze op de planken staan in De man zonder eigenschappen, het tweede deel van Guy Cassiers’ trilogie. En haar volgende project is een opera – ‘Ik wilde een opera schrijven voor mijn 26e’ – voor FC Bergman. ‘Gregory Frateur van Dez Mona speelt de hoofdrol, Josse De Pauw schrijft het libretto.’

Muziek en theater zijn doorgaans gescheiden werelden, maar bij Van der Aa overlappen ze. Ze is geen actrice die zingt en geen zangeres die acteert. De werelden zijn niet te scheiden. En dat doet ertoe voor Troops. Zie de beelden voor je die ze wil evoceren in haar muziek, en het geheel wordt een stuk duidelijker. ‘David Lynch, bijvoorbeeld, ik hou enorm van zijn kitsch en emotieve benadering van muziek. Bevreemdend, donker, melancholisch, en er mag al eens iemand naar het toilet gaan. Zo hoop ik dat mijn zoektocht in klank en muziek ook klinkt.’

Er is ook een videoluik aan de plaat. Ze heeft tien kunstenaars – van Guy Cassiers tot topfotograaf Marc Lagrange – gevraagd om een video te maken bij de tien songs van de plaat. Het budget is beperkt, maar iedereen heeft toegezegd. ‘Alleen Michel Gondry heeft nooit op mijn mail geantwoord’, zegt ze lachend.

Er zijn niet veel vijfentwintigjarigen die zo veel schoon volk rond zich kunnen scharen. Hoe heeft ze bijvoorbeeld Guy Cassiers leren kennen? ‘Tijdens een workshop. Ik was te laat om me in te schrijven, had een kater en had mijn tekst niet kunnen leren. “Doe maar iets dan”, zei hij. En hij vond het goed – ook al had ik zo goed als geen acteerervaring.’

Na haar enkele uren met Boris bezig te zien, begrijp ik wat Cassiers zag. Van der Aa bezit een bewonderenswaardige mix van ongedwongenheid, charme en intensiteit die aanstekelijk werkt. Zelfzeker zonder arrogant te zijn, groots denkend zonder té veel ambitie. Of zoals Wilsdorf het verwoordt: ‘Liesa heeft een heel sterke persoonlijkheid. Het is niet zo makkelijk om neen te zeggen tegen haar.’

ALS IK DE STUDIO VERLAAT, IS ER SLECHTS één nummer afgemixt. Ze liggen hopeloos achter op schema, maar elk detail is besproken. ‘Ik ben een controlefreak, dat heb je wel gezien’, zegt ze zichtbaar vermoeid.

Het woord onrust is al een paar keer gevallen in de gesprekken. We vragen – met Jambersknipoog – of het dat is wat haar drijft. ‘Absoluut. Ik ga van het ene project in het andere. Content zijn, zit er niet bij. Ik heb me al afgevraagd: als ik rustig en blij zou zijn, zou ik dan stoppen? Misschien wel. Misschien trek ik me dan terug.

‘Het idee dat je als kunstenaar getormenteerd moet zijn, vind ik flauwekul. Maar een soort onrust is voor mezelf belangrijk. Dat je iets wil vertellen en dat je voor iets wil strijden. Je moet iets van Jeanne d’Arc hebben. Tenminste, ik vind dat het meest interessant. Als je als kunstenaar niets te melden – of beter gezegd – te zoeken hebt, meld het dan ook niet. Ik mis verbondenheid. Misschien slaag ik niet, misschien faal ik, misschien is het gênant, misschien vindt niemand Troops de moeite van het bestaan waard. Maar voor deze plaat kon ik niets anders dan mezelf zijn.’

TROOPS

Vanaf 6/2 uit in eigen beheer.

EXTRA

WWW.KNACKFOCUS.BE

Download gratis Birds in Berlin.

DOOR GEERT ZAGERS – FOTO’S MARC LAGRANGE

Liesa van der aa

‘HET IDEE DAT JE ALS KUNSTENAAR GETORMENTEERD MOET ZIJN, VIND IK FLAUWEKUL. JE MOET WEL VOOR IETS WILLEN STRIJDEN. JE MOET IETS VAN JEANNE D’ARC HEBBEN.’

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content