Met goed een half uur vertraging - file, file en nog eens file - komt Anton Walgrave het Leuvense Depot binnengestormd. Sinds deze zaal, die vroeger aan het Vlaams Radio Orkest toebehoorde, dienst doet als concertzaal mag Walgrave er bijklussen als muziekleraar in residence. Dergelijke workshops - hij geeft ook les in psychiatrische instellingen en zelfs gevangenissen - zorgen dat de 32-jarige vader van een tweejarig dochtertje kan overleven als muzikant. In één van die gevangenissen heeft Walgrave zelfs een plaat opgenomen met enkele bajesklanten. Zelf zagen we het groepje, dat zich toepasselijk Unbreakable noemt, ooit eens binnen de muren van de Leuvense hulpgevangenis voor een geboeid publiek optreden. Toen we na dat concert, enigszins van ons à propos gebracht, een heenkomen zochten, verdwaalden we hopeloos en hoorden we onszelf aan een van de gedetineerden vragen waar zich precies de uitgang bevond. Gelukkig had die van kop tot teen getatoeëerde spierbundel ons niet begrepen: hij bleek uit Oost-Europa afkomstig.

Anton Walgrave: Zelfs als hij je verstaan had, had hij waarschijnlijk eens goed gelachen. De meeste gevangenen beschikken over een gezond relativeringsvermogen. Dat moet ook wel, anders hou je het er geen twee dagen vol. Zo moest ik eens lesgeven in een klein theaterzaaltje van de gevangenis. Ik begon er al meteen mijn beklag te doen, zo van: 'Als ik hier een hele dag in een kamertje van twee bij twee moet zitten, word ik zot.' Daar moesten ze hartelijk om lachen, in de pijnlijke wetenschap dat dat zowat de samenvatting van hun leven is.

Een gezellige bende, zo te horen.

Walgrave: Het lijkt vreemd hé, maar er zijn er zelfs bij die vragen om te mogen blijven. Swa bijvoorbeeld (die deel uitmaakt van Unbreakable, nvdr.) wil er nog het liefst van al zijn hele leven zitten. Telkens als hij buitenkomt, loopt het toch fout. Hij vindt het in de gevangenis niet per se leuk, maar hij heeft er wel een structuur en onvoorwaardelijke vrienden. In de buitenwereld loopt hij maar hopeloos verloren. Daarbinnen is hij tenminste iemand, daar kennen ze hem, wordt hij zelfs gerespecteerd.

Wat heb je verder zoal uitgevoerd in de vier jaar sinds je laatste plaat?

Walgrave: Ik heb nog aan een hoop andere muziekprojecten meegewerkt. Ik heb een huisje gekocht in Bunsbeek en er een eigen studiootje achteraan gebouwd. Voorts heb ik wat opgetreden en vooral heel veel geschreven. Zo'n tachtig nummers had ik voor deze plaat bij elkaar.

Was dat de taak van producer Frank Vander linden: schiften?

Walgrave: Daar heeft hij inderdaad een belangrijke rol in gespeeld. Hij heeft heel veel ervaring en een encyclopedische muziekkennis. Ik moest maar een naam noemen en de hele discografie van die groep, inclusief jaartallen en bijbehorende anekdotes, kwam er zó uitgerold. Hij wist me ook goed te kanaliseren. Ik zou alle richtingen tegelijk uitgaan en zowat alle sporen van de band volspelen. Hij was er om mij in te tomen, me weer met mijn neus op de essentie te duwen. Hij heeft ook vaak mijn teksten afgekeurd. 'Probeer nog maar eens,' zei hij dan.

Kon je goed met die kritiek om?

Walgrave: Niet bepaald, nee. Er zijn heftige discussies, ruzies en woede-uitbarstingen geweest. Maar dat vond ik een goed teken. Het bewijst dat iedereen zich betrokken voelt. Af en toe heb ik toch mijn willetje doorgedreven. Als Frank kwam aanzetten met het argument 'Ik sta straks met mijn naam wel in je cd-boekje vermeld als producer', dan antwoordde ik: 'Maar mijn naam staat op de hoes.'

Heeft hij je ook niet-muzikaal advies gegeven?

Walgrave: Eén ding heeft hij me heel vaak ingepeperd: 'Stop nu eens met die valse bescheidenheid. Ge zijt een dikke nek, dus kom er gewoon voor uit.' (lacht)

Je lacht, maar ik heb nog geen enkel interview met jou gelezen waarin je niét de schuchtere underdog speelt.

Walgrave: Daar heb je wel gelijk in. Het is een ziekte waar ik maar moeilijk van verlost geraak. Live stond ik me vroeger ook uit te putten in excuses. Ik verontschuldigde me bij het publiek omdat ik überhaupt op het podium stond. Nu durf ik wel eens denken: ' Fuck off, dit podium is van mij. Als het je niet aanstaat, vertrek dan maar.'

Schrijf je de tegenvallende verkoop van je eerste twee platen ook toe aan je brave imago?

Walgrave: Dat zou er best mee te maken kunnen hebben. Klaas Gaublomme, de manager van mijn platenlabel, heeft me ook aangeraden wat meer zelfvertrouwen uit te stralen. Ik wil een beetje af van het singer-songwriterstigma. Enerzijds omdat het vreselijk soft klinkt. Anderzijds omdat ik me niet wil spiegelen aan de grote singer-songwriters zoals Bob Dylan, Leonard Cohen of Joni Mitchell. Zij schrijven echte poëzie. Ik, als niet- native speaker van het Engels, hou het liever simpel. Als ik de teksten van sommige Antwerpse groepen lees, denk ik soms: 'Die hebben een duur woordenboek opengeslagen.' Maar om kort te gaan: ik wil rocken nu, ik ben het beu om als de schuchtere singer-songwriter bekend te staan.

Nochtans was je als frontman van wijlen The Same niet te beroerd om je broek te laten zakken voor wat media-aandacht.

Walgrave:(lacht) Nu trek je het verhaal toch wat uit zijn context. We zijn met The Same ooit naar de Wetstraat in Brussel getrokken om een videoclip op te nemen. Het concept was dat ik de wachters in de hokjes voor het parlement wat zou uitdagen om te zien of ze zouden reageren - wat ze eigenlijk niet mogen. Ik heb dus een hele namiddag in mijn flikker door de Wetstraat gehuppeld. Dat was voor mij niks bijzonders - hier in Leuven durf ik 's ochtends vroeg ook wel eens in mijn blote het café uitwandelen.

Nu wou het toeval dat Jan Matthys, die onze clip regisseerde, ook programmamaker is bij de VTM. Op de nieuwsdienst had hij verteld wat we die dag gedaan hadden. Ze hebben meteen de beelden opgevraagd en wij, die daar natuurlijk prachtige promotie in zagen, hebben ze met plezier doorgespeeld. 's Avonds zijn die beelden vrolijk in Het Nieuws vertoond, maar van The Same was nergens nog sprake. Voor de VTM-kijker was ik gewoon een ordinaire exhibitionist. (lacht)

Door VINCENT BYLOO l FOTO CHARLIE DE KEERSMAECKER