Een voetnoot, een kaderstukje, een paragraaf. Elke zoveel jaar verschijnt er wel iets waarin de naam Chris Bell even oplicht, als een curiosum in een veel wijdere kroniek: een boek over Memphis, Tennessee als fabelachtig muzikaal broeinest; een cd-box over de plaatselijke Ardent Studios; een retrospectief tijdschriftartikel over Big Star. Die laatste was de ultieme cultgroep, wegens borrelend van beloftes maar de boot van het succes niet eens in de smiezen gekregen. Maar het meest schrijnende aan het verhaal van Chris Bell is wel dat de geschiedenis hem lange tijd een bijrol heeft toebedeeld in zijn eigen groep. Het heeft tot 2012, met de eerste publieke vertoning van de Big Star-docu Nothing Can Hurt Me, geduurd vooraleer die scheve situatie enigszins werd rechtgezet.
...

Een voetnoot, een kaderstukje, een paragraaf. Elke zoveel jaar verschijnt er wel iets waarin de naam Chris Bell even oplicht, als een curiosum in een veel wijdere kroniek: een boek over Memphis, Tennessee als fabelachtig muzikaal broeinest; een cd-box over de plaatselijke Ardent Studios; een retrospectief tijdschriftartikel over Big Star. Die laatste was de ultieme cultgroep, wegens borrelend van beloftes maar de boot van het succes niet eens in de smiezen gekregen. Maar het meest schrijnende aan het verhaal van Chris Bell is wel dat de geschiedenis hem lange tijd een bijrol heeft toebedeeld in zijn eigen groep. Het heeft tot 2012, met de eerste publieke vertoning van de Big Star-docu Nothing Can Hurt Me, geduurd vooraleer die scheve situatie enigszins werd rechtgezet. 'Het was alsof we een vloek over onszelf afriepen', zegt drummer Jody Stephens in die film. Wie noemt zijn groep ook Big Star, en zijn debuut-lp dan maar meteen #1 Record? Vier jongens wier hart gloeit van jeugdige overmoed, die het gelijk in weerwil van de tijden volkomen aan hun kant voelen. Big Star zweert begin jaren zeventig bij anglofiele, melodieuze popmuziek in de stijl van The Beatles, The Kinks, The Zombies en Amerikaanse tegenhangers als The Byrds. Dát dus in Memphis, hoofdstad van de zwarte soul en r&b. Maar de grootste bierkaai waar het kwartet met zijn heldere gitaargeluid tegen vecht, is die waarop de harige, bluesy rockbands dansen. Een ongelijke strijd, maar met Chris Bell en Alex Chilton heeft Big Star wel twee begaafde songschrijvers in de rangen, de Lennon en McCartney uit het Zuiden. Leen de oren maar aan #1 Record uit 1972: vandaag nog altijd een frisse en harmonieuze plaat - in tegenstelling tot zoveel harige blues - die dankzij het sluimerende angstgevoel in de Bell/Chilton-composities over een extra laagje mysterie beschikt. Kortom: een classic. Tragisch dus dat dat blikkerende proefstuk niet of nauwelijks in de winkels raakt. Ardent Records sluit een distributiedeal met het verderop gevestigde Stax, maar dat soullabel heeft er geen flauw benul van hoe een blank gitaarbandje in de markt te zetten. Bovendien vertikt Chris Bell het om op te treden. Dat deden de zo bewonderde Beatles in hun laatste jaren ook niet meer; voor hem net zo goed als voor hen is de studio de ware habitat van de muzikant. Het is maar een van de vele twistpunten tussen de perfectionistische, obsessieve Bell en de veel lossere Chilton. Het kansloze falen van #1 Record steekt schril af tegen Chris Bells emotionele investering. Vechtpartijen, vandalisme, drugs, twee zelfmoordpogingen en ten slotte de psychiatrische kliniek: zelden in de pophistorie is een flagrant talent zo snel zo diep in het zwart getuimeld. Tijdens de eerste zes maanden van 1973 raakt Bell geen gitaar aan. Terwijl Big Star onder leiding van Alex Chilton de opnames voor de tweede langspeler Radio City aanvat, en daarbij enkele ideeën van Chris Bell (voor O My Soul, Way Out West en hoogtepunt Back of a Car) tot een sprankelend einde brengt, geeft Bell schoorvoetend weer gehoor aan zijn creatieve drang. Begin 1974 heeft hij drie songs klaar: de rockers I Got Kinda Lost en I Don't Know, en het dieptreurige I Am the Cosmos. Drie keer 'ik', nooit gezond. Uit de emotionele teksten gulpt verlatingsangst en wanhoop; Bells gekwelde stem bewijst dat de levensangst hem in het merg is gezonken. Wanneer zijn oudere broer David, een goedboerende zakenman, hem op een avond met een heroïnespuit in de arm betrapt, besluit hij prompt 'een wortel voor Chris' neus te laten bengelen'. Samen met enkele bevriende muzikanten uit Memphis trekt het broederpaar naar Frankrijk om er Chris tot werk te bewegen in de studio van Chateau D'Hérouville, nabij Parijs. 'Ik moest er op een of andere manier voor zorgen dat hij zich een ster voelde, iemand die op het punt staat ontdekt te worden, zeker na alle unaniem lovende recensies die #1 Record te beurt waren gevallen', schrijft David Bell bijna twintig jaar later in het boekje bij I Am the Cosmos, de aangrijpende verzameling songs die het tijdens Chris Bells leven nooit tot een plaat hebben geschopt. Want ondanks menige poging om een deal te bemachtigen, zal Bell slechts één schamele single met zijn naam erop zien verschijnen, op het onooglijke Car Records van The dB's-frontman Chris Stamey, begin 1978. Maar wat voor single ook: I Am the Cosmos op de A-kant, het briljante, beklijvende You and Your Sister - met Alex Chilton op harmoniezang - op de B-zijde. Beide mannen zoeken sporadisch weer toenadering tot elkaar, hoewel het water tussen de inmiddels bekeerde Bell en de losgeslagen Chilton diep blijft. Dat Chris Bell in de Heer verkeert, blijkt ook uit het in spiritueel licht badende Look Up en het koude rillingen verstrekkende Better Save Yourself. Daarin noemt Bell dan wel Jezus, veel verlossing heeft die hem klaarblijkelijk niet gegund: 'I walk the streets / I'm all alone / I just can't think / What I've been doing wrong.' Niemand heeft het hem ooit kunnen vertellen. Toch verschaft het Bell bijzonder veel - onverwacht - genoegen dat EMI Engeland in de zomer van 1978 de eerste twee platen van Big Star als dubbelelpee heruitbrengt. Meer zelfs, tijdens de eighties en nineties buitelen bands als R.E.M., The Replacements, Magnapop, Teenage Fanclub en The Posies over elkaar heen om het genie van Big Star te prijzen. Een lang verbeide rehabilitatie die Bell niet meer meemaakt. Gekromd onder de desillusies gaat hij in een van de restaurants van zijn vader werken. Muziek wordt een bezigheid tussendoor, een - wreedaardig woord in deze context - hobby. Op 27 december 1978, op de terugweg van een repetitie met een nieuwe band, knalt Chris Bell met zijn auto op een telefoonpaal. Hij is op slag dood. Pas veertien jaar later zal I Am the Cosmos verschijnen, 'de pijnlijkste schreeuw om hulp uit de powerpop', in de woorden van een criticus. VOLGENDE WEEK J DILLA DOOR KURT BLONDEEL