Het zweet van Max Cavalera

© © ALEX VANHEE

Waarschijnlijk waren het andere tijden. Al lijkt er op het eerste gezicht niet veel veranderd sinds toen, meer dan waarschijnlijk waren het andere tijden. In 1996. Of was het nu 1997? Het was alleszins iets met 90. En met clichés. Gras en bier en Hollanders en dat soort zaken.

Het was de openingsdans van een zomer die later, vanuit een comfortabele zetel in een roerloze provinciestad, als de quasirituele overgang van jongen naar man zou worden omschreven. Of toch naar jongeman. Of toch zeker naar minder jongen en iets meer man. Enfin, een overgang, dat in ieder geval.

Hoe dan ook: elk jaar werd er enkele straten verderop een groot muziekfeest, zeg maar ‘festival’ georganiseerd. Lokale jeugdverenigingen maakten zich dan op, in verwachting van wat – al dan niet te vroeg – komen zou, chirodeernes knipten de laatste misbare centimeter stof van hun rokken, duffe tentjes en verstikte slaapzakken kropen uit nieuwsgierigheid zélf van de zolder en de pokdalige akkers uit de buurt werden omgebouwd tot parkings – meestal gebeurde deze transformatie door het niet overdreven zorgvuldig in de grond stampen van een bord met de vermelding ‘parking hier’. Het dorp maakte zich op voor de zomer, de vakantie en een leuk buurtfestival. Dat dorp was Werchter en het buurtfestival heette – toen nog – Torhout-Werchter.

Ik zal meteen de sfeer bederven door te vertellen dat ik geen liefhebber ben van grote rockfestivals. De reden is dat ik eigenlijk al 28 jaar lang een tot op het bot verzuurde klootzak ben die alles en iedereen de pest toewenst, en daarbij nog eens een heel lang etentje met Tia Hellebaut dat pas afloopt als de laatste driehoek pizza uit het buffet binnen is.

Los daarvan vind ik de bands vaak te talrijk, de mensen te massa en het gezellige te verplicht. Je hebt nu eenmaal mensen die graag met een opblaasbare plateau vol lauw bier door een stoffige corridor van soortgenoten hun schouders lopen te verbranden, en anderen.

Komt daar nog bij dat iets wat bijna letterlijk tot aan je voordeur komt meestal als vanzelfsprekend wordt beschouwd. Laat ik het zo stellen: als Kirsten Dunst mijn buurmeisje was geweest, dan had ik haar waarschijnlijk ook geen tong willen draaien.

Of toch zeker niet meer dan een keer of 5. 7. 17. Slecht voorbeeld.

Mijn goede herinneringen aan Torhout-Werchter vallen dan ook terug te brengen tot de legendarische editie van 1996. Legendarisch, door volgende drie elementen.

– Voor het eerst werd het festival over twee dagen gespreid, wat meteen een verdubbeling betekende.

– De affiche was de beste die we ooit gezien hadden.

– We mochten gaan van onze ouders.

‘We’, dat waren Joris Brouwers en ik. Omdat we jonge helden waren en ons al eens hadden moeten scheren, sliepen we in een tent in een bos dicht bij de wei en dronken we geestrijke dranken uit door onze moeders voorziene koffiemokken. En we gebruikten nooit woorden als ‘koffiemokken’. Nee, we waren stoer en zeiden ’tassen’. Oh, jawel. Zou er trouwens iemand bestaan die echt ‘mok’ zegt tegen een tas, 16 miljoen Hollanders, Geert Bourgeois en Roos Van Acker daargelaten?

Enfin, Torhout-Werchter 1996. Van de eerste dag herinner ik mij niks. Wat veel dingen zou kunnen betekenen. Laten we ervan uitgaan dat Joris en ik, geconfronteerd met een eindeloos verlanglijstje en zeer eindige middelen, slechts tickets voor de tweede festivaldag hadden kunnen kopen. Dat we met onze verzopen koppen in het ongespoelde gat van een Duitse man-whore uit Manchester zijn beland, lijkt op een manier gewoon minder waarschijnlijk.

Omdat optredens zelden herinnerd worden vanwege de gewaagde variatie in de bridge van het vierde nummer van de set, maar eerder dankzij die opstandige kebab die we net voordien hadden binnengespeeld, de sappige kus op het moment dat de rest van het publiek opstaat voor het finale applaus of een onfortuinlijke combinatie van deze voorbeelden, denk ik bij Torhout-Werchter 1996 aan stoffige cassettes, lesbische windmolens en het zweet van Max Cavalera.

De stoffige cassettes zijn gemakkelijk te verklaren: dat waren de audiodragers waarop Joris ter voorbereiding van het optreden van Metal Molly, die net als wij uit de buurt kwamen en dus zo goed als onze vrienden waren, hun cd Surgery for Zebra uit 1995 had gekopieerd. Terwijl andere festivalgangers zich bezopen, legden wij ons met enige sérieux toe op het memoriseren van teksten als ‘Poolbell / Candy / Wishwell / Trendy’. Joris zei: ‘Mensen die niet voor de muziek naar een festival komen, dat zijn apen.’ En ik zei: ‘Ja.’

De lesbische windmolens waren de fans van Alanis Morissette, een artieste die er vooral was om gehaat en beledigd te worden door echte muziekkenners, die wij uiteraard waren. De hoer. In ons enthousiasme om op de eerste rij te staan bij Sepultura hadden wij gemist dat juffrouw Morissette eerst nog zou optreden. Ik kan u bij dezen vertellen dat ik tijdens de talloze punk- en hardcore-optredens die ik in de jaren daarna mocht meemaken de pit nooit zo woelig heb gezien als toen, tijdens Alanis fucking Morissette, die ook nog eens ‘Isn’t it ironic?’ stond te zingen. Bitch! Of was dat van die andere, die er zo op leek?

Het zweet van Max Cavalera was wat we een uurtje later op onze verhitte koppen kregen ter magere compensatie van onze heldhaftige strijd tijdens de invasie van de lesbian warriors en hun besnorde kampvuurhonden.

Verder was er nog bezoek van Rage Against The Machine, een bandje dat samen met Helmet en de Pixies waarschijnlijk de Heilige Drievuldigheid van de jaren 90 vormde.

De beste editie van Torhout/Werchter ooit werd afgesloten door Neil Young, die ik in mijn oneindige muziekkennis ‘een dikke met een gitaar’ noemde. Wat hij nog altijd is, trouwens. En Channel Zero staat ook weer op de affiche, dit jaar. Misschien is er dan toch niet zo heel veel veranderd sinds 1996.

‘Torhout-Werchter 1996. Van de eerste dag herinner ik mij niks. Wat veel dingen zou kunnen betekenen.’

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content