Het was een magische avond, begin december 2014. Luc De Vos was drie dagen dood, Gent rilde nog na. Maar op het podium van het NTGent stak Eriksson Delcroix een kampvuur aan en nodigden ze het publiek uit om wat dichterbij te komen zitten. Met countrysongs over slangen, engelen en de liefde die niet voorbijgaat. Met cowboyhoeden, banjo's en hemden met franjes ook. En je geloofde elke seconde dat Bjorn Eriksson en Nathalie Delcroix, een koppel uit Kalmthout, onze Johnny Cash en June Carter zijn.
...

Het was een magische avond, begin december 2014. Luc De Vos was drie dagen dood, Gent rilde nog na. Maar op het podium van het NTGent stak Eriksson Delcroix een kampvuur aan en nodigden ze het publiek uit om wat dichterbij te komen zitten. Met countrysongs over slangen, engelen en de liefde die niet voorbijgaat. Met cowboyhoeden, banjo's en hemden met franjes ook. En je geloofde elke seconde dat Bjorn Eriksson en Nathalie Delcroix, een koppel uit Kalmthout, onze Johnny Cash en June Carter zijn. Vorige week aan de rand van de heide. Eriksson maakt de deur van een charmant jarendertighuis open. Klassieke broek. Slobbertrui. In de woonkamer kijk ik net iets te ongegeneerd rond. NATHALIE DELCROIX: Dacht je dat we in een saloon zouden wonen? DELCROIX: Ik draag die kleren al zo vaak op het podium, dus ben ik blij dat ik ze thuis mag uittrekken. Van de weeromstuit draag ik nog het liefst een jogging. (lacht) Bjorn is er ook wat in geminderd. BJORN ERIKSSON: Vroeger ging ik daar heel fel in door, maar tegenwoordig is die reflex weg. Mijn ijdelheid is verdwenen. In de tijd dat ik bij Zita Swoon zat, liep ik ook thuis behoorlijk opgekleed. Een lichtblauw kostuum, met een waaier in de rechterhand om het af te maken. (grijnst) Ja, zeg, Stef Kamil Carlens stimuleerde me daarin. Ik was een kruising van een cowboy en Walter Van Beirendonck. DELCROIX: Ik zag hem in de stad lopen in een oranje salopette, en hij droeg duidelijk geen onderbroek. (wuift zich koelte toe) Ik zag alles bengelen en dacht: dit gaat te ver voor mij, dit is iets te arty-farty. (schatert) In 1999 hebben we elkaar voor het eerst ontmoet, op Dranouter. Hij stond vooraan in mijn ogen te kijken, ik wist me geen houding meer te geven. ERIKSSON: Nu moet je jouw kant ook wel vertellen. DELCROIX: Allee, dat kunnen we niet... ERIKSSON: Ze had een video van Zita Swoon, en als ik in beeld kwam, zette ze hem op pauze en kuste ze het scherm. DELCROIX: (sterft op haar stoel) Daarna zijn er jaren over gegaan. Op een avond speelde hij met Maxon Blewitt in de Bourlaschouwburg, en hij nodigde me uit om mee te zingen op een cover van Abba. We hebben gerepeteerd, ik ben blijven plakken, en toen hebben we een hele nacht samen een beetje dronken muziek beluisterd en gezongen. Love Hurts, in de versie van Gram Parsons en Emmylou Harris, ja. ERIKSSON: Daar bestaan zelfs opnames van - ze moeten boven ergens op een oude computer staan. Al snel is er een groepje van gekomen, The Partchesz (spreek uit: De Paardjes, nvdr.) Fijne muziek, maar het was geen gemakkelijke periode: we hadden een af-en-aan-relatie. DELCROIX: Dat was zwaar. Maar we wisten: wij hebben zó veel gemeenschappelijk dat het onmogelijk is om er niets mee te doen. DELCROIX: Ik kom uit Nieuwmoer, een gehucht van Kalmthout. Mijn vader is wielrenner Ludo Delcroix, destijds een knecht van Eddy Merckx. Ik ben conservatief opgevoed, veel muziek heb ik niet meegekregen. Dolly Parton, Kenny Rogers, The Beatles, dat was het zowat. Cultuur heb ik zelf moeten ontdekken. DELCROIX: Ik heb weleens meegedaan aan een wedstrijd. Of bedoel je de Grote Prijs Nathalie Delcroix? DELCROIX: Toen mijn mama zwanger was, wilden ze in Kalmthout een koers organiseren, en die moest de naam van het kind van Ludo Delcroix krijgen. Tot mijn twaalfde stond ik bij de Grote Prijs in het middelpunt van de belangstelling. Ik moest de winnaar de palm geven, terwijl mijn vriendinnen lekker naar de straatfeesten gingen. (lacht) Verschrikkelijk, als je net begint te puberen. ERIKSSON : Ik heb ook zo'n wielerperiode gehad. Mijn grootvader zag een wielrenner in mij, en ik reed weleens een wedstrijdje. Ik herinner me een punt waarop ik twijfelde: wielrennen of muzikant worden. Rond mijn dertiende begon ik gitaar te spelen. Op een cassette van mijn vader had ik het nummer Sand Mountain gehoord, en daarop werd dobro gespeeld (een metalen gitaar zoals op de hoes van Dire Straits' Brothers in Arms, nvdr.). Mij eerste dobro is trouwens op een nogal louche manier bij mij terechtgekomen. Moet ik dit wel vertellen? ERIKSSON: Naast ons huis in Antwerpen was er een brouwerij, waar we via een geheim deurtje naar binnen konden. Met wat ik daar scheefsloeg en verkocht, heb ik mijn eerste dobro gekocht. ERIKSSON: Ik besloot op mijn vijftiende om op kot te gaan bij mijn grootmoeder. Een jaar later kreeg ik de kans om bij mijn vader (banjospeler Karl Eriksson, nvdr.) te gaan wonen. Die had ik sinds mijn vierde heel weinig gezien. Ik verhuisde naar het pand dat de Pacific zou worden, maar hij was er nooit, hij reisde veel. In de praktijk woonde ik op mijn zestiende alleen. Op een dag werd er bij ons moeder een bak platen van mijn vader afgezet. Of we die even konden bijhouden terwijl hij naar Griekenland ging? Zo heb ik mijn vader leren kennen: aan de hand van elpees van Bob Dylan, Neil Young, Elvis Costello... En bluegrass, ja. En kijk, jaren later sta je samen op het podium met The Broken Circle Bluegrass Band. ERIKSSON: Ik heb me ooit ingeschreven om voor grafisch ontwerper te studeren, maar ik ben gestopt. DELCROIX: Ik ook. Ik was 21 toen ik bij Laïs ging. Dat boomde meteen. En plots werd ik zwanger. Ik was moeder op mijn 22e. ERIKSSON: En ik vader op mijn 18e. (monkelt) Wij zijn laaggeschoolden. DELCROIX: Het was niet altijd makkelijk. We waren soms wekenlang op tournee. Frankrijk, Spanje, China, Taiwan. Dan zat je op de bus te denken: vanavond moet ik bellen. Heftig. Maar het is allemaal goed afgelopen: dat kind is gelukkig. ERIKSSON: Eigenlijk zijn er zelfs drie grote pijlers in mijn leven.Op mijn dertiende was ik helemaal in de ban van new beat en electro. Dat zit nog altijd diep in mij. Ik zat elke donderdag aan Radio SIS gekluisterd. Kort daarna kwam Django. Toen ik hem hoorde, ben ik meteen beginnen te oefenen. DELCROIX: Dat new-beatverledenkwam boven bij The Partchesz, wat een mix van countrytraditionals en donkere beats was. Dat viel al eens tegen als er in culturele centra veel bomma's in de zaal zaten. ERIKSSON: Ik experimenteer gewoon graag, ik zoek graag het donkere op. Vanmorgen draaide ik dit nog. (haalt een vinylplaat van het schap) De soundtrack van The Antwerp Killer, een B-film uit 1982. De film is niet goed, maar de donkere synths wel. Ze klinken als versleten videobanden. Ik hou van die sfeer. ERIKSSON: Hij belde me om te vragen of we even konden praten, en tien minuten later stond hij aan onze deur. We hebben toen heel veel koffie in heel korte tijd gedronken. Je voelde het vuur! Als ik over bluegrass mag praten, over gitarist Clarence White, over de experimentele bluegrass van de jaren zeventig met banjospeler Tony Trischka, over... Ik bloeide open. DELCROIX: Ik dacht: binnen de kortste keren liggen die twee in bed! (giert het uit) De repetities waren trouwens echt zoals in de film. Wij woonden toen nog in een meubelwinkel in Deurne waar ook een concertzaal was, met een woonwagen in de binnentuin. Er hing een hippiesfeertje, met veel muzikanten. Ze repeteerden altijd in de tuin voor de woonwagen terwijl de kippen in het rond liepen. Felix liep de hele tijd te filmen. DELCROIX: Nee, helemaal niet. Wacht, er was wel iets. Bjorn en Veerle Baetens brachten een paar nummers die wij ook al speelden in onze set. Op die momenten zat ik soms een beetje ongemakkelijk op mijn stoel. Maar daarbuiten? In het begin heeft Veerle me gevraagd om haar wat te coachen, maar toen ik haar demo beluisterde, heb ik haar meteen gerustgesteld: 'Jij hebt mij echt niet nodig.' Er viel niets op af te dingen. Dus nee, ik was niet jaloers. Ik was trots op Bjorn, op Veerle, op de hele ploeg. ERIKSSON: Heel emotioneel, natuurlijk. Veerle zong een liedje voor ons. Wat een beeld: zes mannen die stonden te blèten op het podium. Maar het was gewoon te moeilijk geworden om de hele bende samen te krijgen, zeker voor Johan Heldenbergh en Veerle. DELCROIX: En toch, hoe zeg jij het altijd? Het is een goudmijn waar jullie beton in hebben gestort. ERIKSSON: Als grapje, maar toch. In België dreigde de overkill. Je kunt voor de zevende keer in het Rivierenhof spelen - allemaal leuk, voor mijn part doen we het twintig keer - maar heeft dat veel zin? Tegelijk voelde je dat Frankrijk voor ons openlag. In het amfitheater van Lyon, waar mensen zoals Bob Dylan optreden, zong vijfduizend man met ons mee. Daar kon je een fulltime tournee van maken, en daarna Spanje en Italië. Als je dat beseft, is het een beetje bizar om te stoppen. ERIKSSON: En toch was For Ever een vervolg op het werk voor de film. Nadat de klassieke bluegrassnummers waren opgenomen, werkte ik aan de soundscapes. Ik hield van dat klankenpalet, en besloot het door te trekken met ons tweeën. Gitarist Elko Blijweert heeft die plaat in vier uur tijd helemaal hertekend. Fantastisch. Ik had tranen in mijn ogen. ERIKSSON: Vind je dat? Dat was niet de bedoeling. DELCROIX: De eerste plaat was een puzzel: Bjorn zat boven op te nemen, overdubs te maken, te knippen en te plakken. Hij werkte in lagen. Dit keer stelde ik voor om op gitaar songs te schrijven die al op zichzelf konden staan. We huren hier in de buurt een huisje in een natuurgebied. Er is geen elektriciteit, alleen een stoof. En daar ging hij elke ochtend naartoe - ik smeerde zijn boterhammen. Als hij 's avonds thuiskwam, had hij twee of drie nummers geschreven. ERIKSSON: Ik wilde dat de rest van de band ruimte zou hebben om hun partijen in te vullen. Tot Elko de voorlopige opnames hoorde en zei: 'Amai, dat zit hier al goed vol.' In drie maanden was de plaat geschreven, opgenomen en gemixt. Doordat het zo snel ging, is het een homogene plaat geworden. Of misschien moet ik ze eerder 'impulsief' noemen. Een nummer als Silver Dagger is inderdaad folkyer, maar we wilden de sfeer oproepen van de Derroll Adams-cover The Valley op For Ever. De klank van een field recording uit de Appalachen, zeg maar. ERIKSSON: Ik kom niet uit Nashville, maar deze muziek is ook van mij. Ik ken die banjoklanken al van toen ik nog in de wieg lag. Voor mij is dit perfect, natuurlijk, dit zijn mijn roots. En de kleren en het beeld errond zijn er gekomen door al van jongs af aan op een podium te staan. Dan moet je er stáán, dan worden de dingen uitvergroot. ERIKSSON: Het was heel inspirerend. In Nashville hebben we een nummer opgenomen in Jack Whites Automatic Recording Studio - zo'n telefooncel waarin je vroeger voor 35 cent een single kon inzingen. DELCROIX: En we gingen met de gitaar de boot op, in de moerassen. Er staat een roadmovietje van op YouTube. Het was allemaal een beetje smerig, en spannend. Je komt een heleboel freaks tegen, je durft in een motel nauwelijks dat vieze bed in, je denkt: hiernaast zijn ze iemand aan het afmaken! ERIKSSON: Die sfeer, daar krijg ik vlinders van in mijn buik. Dán voel ik echt: deze cultuur is een deel van mij. De reacties waren super. Op een dag belandden we in de buurt van Carthage, Mississippi in een oude biljartzaal. Leeg, bibberende tl-lampen, een beetje vuil, zo'n atmosfeer. We dachten meteen: kom, we gaan hier een liedje zingen. Daarna kwam de madam van het winkeltje erbij. Met haar zuidelijke accent: 'Where are you from?' België. 'Oh, and what kind of religion are you?' Wij: 'Euh, wij hebben er geen. Cut!' (schatert)HEART OUT OF ITS MIND Vanaf 29/1 uit via Waste My Records/V2. Cd-presentatie op 28/2 in De Roma, Borgerhout. Alle info: deroma.be DOOR BART CORNAND - FOTO'S GUY KOKKENNathalie Delcroix 'MIJN VADER LUDO WAS EEN KNECHT VAN EDDY MERKX. TOT MIJN TWAALFDE STOND IK IN KALMTHOUT IN HET MIDDELPUNT VAN DE BELANGSTELLING BIJ DE GROTE PRIJS NATHALIE DELCROIX.' Bjorn Eriksson 'NATHALIE HAD EEN VIDEO VAN ZITA SWOON, EN ALS IK IN BEELD KWAM, ZETTE ZE HEM OP PAUZE EN KUSTE ZE HET SCHERM.'