Het gaat goed met de Belgische documentaire. De productie staat op een hoog peil, onze regisseurs hebben in het buitenland een uitstekende naam en de films worden vaak aangekocht door andere zenders. Alleen lijkt België, zoals dat vandaag de dag op zoveel vlakken het geval is, wat documentaires betreft opgedeeld in twee heel verschillende stukken. Dat wordt meteen duidelijk als je het programma bekijkt van het Panorama van de Belgische Documentaire 2006-2007. Dat festival, dat om de twee jaar georganiseerd wordt door het Henri Storck Fonds, wil naar eigen zeggen de 'internationaal hoog gewaardeerde Belgische documentaire' een duwtje in de rug geven en tien dagen lang 'een portret schetsen van de Nederlandstalige en Franstalige producties van ons land'.
...

Het gaat goed met de Belgische documentaire. De productie staat op een hoog peil, onze regisseurs hebben in het buitenland een uitstekende naam en de films worden vaak aangekocht door andere zenders. Alleen lijkt België, zoals dat vandaag de dag op zoveel vlakken het geval is, wat documentaires betreft opgedeeld in twee heel verschillende stukken. Dat wordt meteen duidelijk als je het programma bekijkt van het Panorama van de Belgische Documentaire 2006-2007. Dat festival, dat om de twee jaar georganiseerd wordt door het Henri Storck Fonds, wil naar eigen zeggen de 'internationaal hoog gewaardeerde Belgische documentaire' een duwtje in de rug geven en tien dagen lang 'een portret schetsen van de Nederlandstalige en Franstalige producties van ons land'. In de Brusselse Bozar en het Filmmuseum worden daarom begin december 32 Belgische documentaires vertoond, en in het programma valt meteen op hoe mager de Vlaamse inbreng is. Slechts een zestal van de films zijn van Vlaamse makelij, en één daarvan is dan nog het afstudeerwerk van een student aan het RITS. Dat is geen toeval, zegt Manu Riche, de maker van onder meer de reeks Hoge Bomen, die zetelde in het selectiecomité. 'In Wallonië worden er veel meer films gemaakt, terwijl het op Vlaams vlak de afgelopen tijd armoe troef is. Als we vandaag spreken over de Belgische documentaire en haar goede naam in het buitenland, dan hebben we het eigenlijk vooral over de productie van de Franstaligen.' Hoe komt dat? Loopt er in Vlaanderen minder talent rond of bestaat er hier minder interesse voor het vak dan in het zuiden van het land? Niet echt, de oorzaak ligt vooral, zoals je kon verwachten, op het gebied van geld. Documentaires maken is een tijdrovende en dus dure bezigheid, wat betekent dat je als regisseur eerst moet aankloppen bij verschillende instanties om je budget rond te krijgen. Bij de overheid bijvoorbeeld, zoals het Vlaams Audiovisueel Fonds (VAF) in Vlaanderen of zijn Waalse tegenhanger Centre du Cinéma et de l'Audiovisuel (CCA). Hun subsidies zijn echter beperkt, dus gaan de makers in tweede instantie naar de zenders die de documentaires uiteindelijk op het scherm zullen brengen, zoals de RTBF of de VRT, die in Vlaanderen via Canvas de natuurlijke partner is van de regisseurs. Maar daar wringt het schoentje. 'In Wallonië is de RTBF verplicht om jaarlijks voor een aantal films als coproducent op te treden', legt producent Jan Roekens van Sophimages uit. 'Maar in Vlaanderen bestaat die regel niet en kan de VRT zelf kiezen.' En dan kiest de VRT blijkbaar om geen coproducent te worden. Van de 32 documentaires die in Brussel getoond worden, is er slechts één gemaakt met steun van de VRT. En dat is dan nog een grensgeval, want de film Greg Lemond, een wonder in Parijs uit de reeks Belga Sport is eigenlijk een productie van Woestijnvis. Terwijl de RTBF mee op de kar van het CCA moét springen, is voor de VRT de steun van het VAF vaak net een reden om níet te investeren, klinkt het in de sector. 'Het mag raar lijken', zegt Roekens, 'maar uiteindelijk is Lichtpunt (de kleine omroep van de vrijzinnigen, die op zondag een paar uur zendtijd krijgt op Canvas; nvdr.) een betere partner dan de VRT, zeker voor kleinere projecten.' De steun van de VRT is trouwens niet alleen om financiële redenen belangrijk. Omdat België zo'n kleine markt is, moeten de documentairemakers op zoek gaan naar partners in het buitenland, zeker voor grotere projecten waarvan het budget al snel in de honderdduizenden euro kan lopen. Afhankelijk van het onderwerp kloppen ze dan aan bij bijvoorbeeld de Nederlandse tv-zenders, of de Duitse en de Franse. 'Maar het is veel moeilijker om de mensen daar te overtuigen om geld te geven als je je eigen regio niet eens mee hebt', zegt Riche. 'Enkel als je al enkele producties op je naam hebt staan, kun je die zenders dan over de brug krijgen', aldus Roekens. 'En dat is natuurlijk een handicap, zeker voor jonge documentairemakers.' Bij Canvas zelf klinkt echter een ander geluid. 'Ik begrijp het wel dat de sector klaagt', zegt Reinhilde Weyns, die de coproducties overziet. 'De onafhankelijke documentairemakers hebben het nu eenmaal niet gemakkelijk, en het is ook belangrijk dat ze druk op ons blijven leggen. Maar die perceptie dat wij niets doen, daar worden we eerlijk gezegd nerveus van. Wij hebben in de afgelopen maanden een tiental coproducties in gang gezet, en we zijn ook nog een heel aantal andere engagementen aangegaan. Oké, het is nooit genoeg, dat geef ik toe, maar het is zeker niet niets.' De financiële situatie bij Canvas en bij uitbreiding de hele VRT is momenteel ook allesbehalve rooskleurig, waardoor men het moet doen met de schaarse middelen die er zijn. Een tijd geleden zaten het VAF en de VRT nog samen aan tafel om een nieuw plan op te stellen voor de financiering van Vlaamse fictie en documentaires, maar het blijft wachten tot er daar een doorbraak komt. 'Vroeger konden we putten uit het coproductiefonds,' zegt Weyns, 'maar zolang er geen overeenkomst is, wordt dat niet aangevuld. Daarom hebben we nu enerzijds de internationale coproducties afgebouwd en anderzijds geld opgenomen uit het eigen uitzendbudget, precies om de Vlaamse documentairemakers te steunen. Geloof me: niets doen zou een stuk gemakkelijker zijn. Maar we hebben echt het gevoel dat we alle projecten waar we in geloven kunnen steunen, ook al is dat niet altijd met de bedragen waar we zelf van dromen.' Na Nieuwjaar krijgt Canvas, dat volgende maand zijn tiende verjaardag viert, een make-over en dan krijgen ook de documentaires weer de plaats die ze verdienen, belooft men. Bovendien wordt een ander heikel punt aangepakt: de uitzenduren. De voorbeelden zijn legio. Linda and Ali, two words within four walls, de film die bij de vorige Panorama van de Belgische Documentaire in 2004 ging lopen met de Prijs van de Belgische documentairefilm, was op Canvas te zien, maar pas om elf uur 's avonds. Het lovenswaardige De Wereld van Tarantino, waarin jonge regisseurs de kans kregen om een film te maken, moest vaak wachten tot middernacht. En Gas Station, de recente én schitterende serie van Luc Vrydaghs, werd op zondagavond om halfelf op de kijker losgelaten - terwijl dat toch een van de duurdere projecten van de laatste jaren was. Maar daar zou verbetering in komen, want volgens Canvas wordt er momenteel driftig gesleuteld aan een schema waarbij 'alles op een juistere plaats' staat. De tijd dat je de liefhebbers van docu's kon herkennen aan de wallen onder hun ogen, ligt dus misschien binnenkort achter ons. 'PANORAMA VAN DE BELGISCHE DOCUMENTAIRE 2006 - 2007': Van 1/12 tot 12/12, Paleis voor Schone Kunsten en Filmmuseum in Brussel. Info: www.fondshenristorck.be. Door Stefaan Werbrouck